Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
08-1707 WWB + 08-1708 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekeningen. Verschillende periodes. Afwijzing nieuwe aanvraag: De Raad stelt vast dat de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om bijstand van 11 januari 2005 berust op dezelfde ondeugdelijke grondslag als die waarop de intrekking van bijstand over de periode van 22 juli 2003 tot en met 30 november 2004 berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1707 WWB

08/1708 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 januari 2008, 06/8930 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 07/1106 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 28 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft in het geding met procedurenummer 08/1708 WWB een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Schijndel. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 1 oktober 1998 bijstand naar de norm van een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van gegevens van de Belastingdienst waaruit bleek dat appellante twee - niet bij het College bekende - bankrekeningen op haar naam had staan, te weten bij de Rabobank een ‘en/of’-rekening, mede op naam van [betrokkene], met nummer [nummer 1] en bij de Demir-Halkbank (hierna: DHB) met nummer [nummer 2], heeft het College appellante in juli 2004 verzocht over die bankrekeningen nadere informatie, onder meer alle bankafschriften, te verstrekken. Appellante heeft in dit kader op 7 en 12 juli 2004 verklaringen afgelegd en voorts onder meer een zogenoemd mutatieoverzicht van de DHB over de periode van 2 december 1997 tot en met 21 juli 2003 overgelegd, alsmede een verklaring van de DHB van 30 november 2004, waarin wordt bevestigd dat de rekening van appellante met het nummer [nummer 2] met ingang van 21 juli 2003 is opgeheven.

1.3. De door appellante verstrekte informatie, besproken in een rapportage van 13 juli 2004 (lees: 2005), is voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 21 juli 2005 de aan appellante verleende algemene en bijzondere bijstand over de periode van 1 oktober 1998 tot en met 30 november 2004 te herzien (lees: in te trekken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 61.354,10 van appellante terug te vorderen.

1.4. Bij besluit van 20 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 juli 2005 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante kon beschikken over de tegoeden op twee bankrekeningen waarvan zij geen melding had gemaakt, dat die tegoeden geacht moeten worden deel uit te maken van haar vermogen, en dat, nu appellante daarover geen duidelijkheid heeft weten te verschaffen, het recht op bijstand over genoemde periode niet is vast te stellen.

1.5. Bij een - in rechte onaantastbaar geworden - besluit van 4 januari 2005 heeft het College de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 december 2004 ingetrokken. Op 11 januari 2005 heeft appellante een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend.

1.6. Bij besluit van 22 mei 2006 heeft het College afwijzend op deze aanvraag beslist op de grond dat de door appellante verstrekte inlichtingen dermate onvolledig zijn dat niet kan worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre zij in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeert.

1.7. Bij besluit van 3 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 mei 2006 ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat weliswaar in zoverre sprake is van gewijzigde omstandigheden dat de bankrekeningen die eerder aanleiding gaven tot het beëindigen (lees: intrekken) van bijstand niet meer op naam van appellante staan, maar dat nog altijd niet kan worden beoordeeld of appellante in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraken 1 en 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 20 september 2006 en 3 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van bijstand over de periode van 1 oktober 1998 t/m 21 juli 2003 (08/1707 WWB)

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante van 1 oktober 1998 tot 29 januari 2001 mederekeninghouder was van een bankrekening bij de Rabobank met nummer [nummer 1] en dat [betrokkene] deze rekening vanaf die datum uitsluitend op zijn naam heeft voortgezet. Evenmin is in geschil dat appellante van 1 oktober 1998 tot en met 21 juli 2003 rekeninghouder is geweest van een bankrekening bij de DHB met nummer [nummer 2]. Voorts staat vast dat appellante deze bankrekeningen niet uit eigen beweging heeft gemeld aan het College. Het bestaan van twee bankrekeningen op naam van appellante is pas gebleken na een belastingsignaal en nadat het College daarover (in juli 2004) aan appellante om opheldering had gevraagd. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellante redelijkerwijs duidelijk had kunnen, maar ook moeten zijn, dat zij van belang waren voor (de omvang van) haar recht op bijstand. Dat appellante, naar zij stelt, zich er niet van bewust is geweest dat zij melding had moeten maken van de twee in geding zijnde bankrekeningen omdat zij daarvan geen gebruik maakte, maakt dit niet anders. Door van deze bankrekeningen geen mededeling te doen aan het College, heeft appellante in ieder geval in de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juli 2003 de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.2. Dat appellante door de politierechter is vrijgesproken van valsheid in geschrifte en het in strijd met een wettelijke verplichting niet verstrekken van inlichtingen doet hier niet aan af. Zoals de Raad al meermalen heeft overwogen, is de bestuursrechter immers niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, te minder nu in een strafzaak een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.3. Vervolgens dient te vraag te worden beantwoord of deze schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft dat niet kan worden vastgesteld of appellante gedurende de hiervoor genoemde periode verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden.

4.3.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 3 juni 2008, LJN BD5196) rechtvaardigt het feit dat een bankrekening op naam staat van een betrokkene de vooronderstelling dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover de betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit is niet anders bij een zogeheten “en/of”-rekening, aangezien daarmee slechts wordt aangeduid dat de rekeninghouders zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Het is dan aan de betrokkene om aan te tonen dat het tegendeel het geval is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. Appellante heeft weliswaar aangevoerd dat de bankrekeningen feitelijk door haar neef, respectievelijk haar broer werden gebruikt en niet door haarzelf, maar dit standpunt wordt uitsluitend ondersteund door verklaringen van familieleden.

Een objectieve en verifieerbare onderbouwing van deze verklaring ontbreekt, nog daargelaten dat uit de verklaringen op geen enkele wijze valt af te leiden dat appellante niet feitelijk heeft kunnen beschikken over de tegoeden op de bankrekeningen.

4.3.2. De Raad stelt vast dat appellante in beroep bij de rechtbank alsnog een aantal bankafschriften van de bankrekening bij de Rabobank heeft overgelegd. Van de bankrekening bij de DHB heeft appellante in het geheel geen bankafschriften overgelegd, maar uitsluitend het hiervoor genoemde mutatieoverzicht. Het College stelt zich op het standpunt dat appellante, door niet alle bankafschriften over te leggen van op de op haar naam staande bankrekeningen bij de Rabobank en de DHB, onduidelijkheid heeft laten bestaan over de tegoeden op deze bankrekeningen, alsmede de opbouw en de besteding daarvan, en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.3.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 20 september 2007, LJN BB6243) dient het bijstandverlenend orgaan, indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand kan worden vastgesteld daartoe over te gaan, ook al is dit nihil, en is er dan geen plaats voor het oordeel dat de bijstand wordt ingetrokken op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.4. Weliswaar heeft appellante niet alle bankafschriften van de Rabobankrekening over de periode van 1 oktober 1998 tot 29 januari 2001 overgelegd, maar de Raad heeft moeten vaststellen dat het saldo (tegoed) op een aantal wel beschikbare bankafschriften dusdanig hoog is, dat dit de voor haar in de jaren 1998 tot en met 2001 geldende vermogensgrens als bedoeld in artikel 54, aanhef en onder a, van de Abw (ruimschoots) overschrijdt. Hiervan uitgaande en in aanmerking genomen dat de bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld, kan het recht op bijstand over de volgende maanden wel worden vastgesteld, namelijk op nihil: december 1998, januari en februari 1999, januari tot en met maart en juni 2000 en november 2000 tot en met januari 2001.

Dit betekent dat de intrekking van de bijstand over die maanden niet berust op een juiste grondslag. De beschikbare gegevens bieden onvoldoende aanknopingspunten om ook over de overige maanden van de periode tot en met januari 2001 het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

4.3.5. Gedurende de periode van 1 februari 2001 tot en met 21 juli 2003 stond uitsluitend de bankrekening bij de DHB op naam van appellante. Zoals tot uitdrukking is gebracht onder 4.3.1 heeft appellante feitelijk beschikt of heeft zij redelijkerwijs kunnen beschikken over het tegoed op deze bankrekening. De herkomst en de bestemming van de vele contante stortingen op en opnamen van deze rekening zijn echter niet af te leiden uit het mutatieoverzicht van de DHB. Reeds gelet hierop is naar het oordeel van de Raad de conclusie gerechtvaardigd dat over de periode van 1 februari 2001 tot en met 21 juli 2003 het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.3.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juli 2003. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

De intrekking van bijstand over de periode van 22 juli 2003 t/m 30 november 2004

4.3.7. Tussen partijen is niet in geschil dat appellante vanaf 22 juli 2003 geen bankrekeningen meer op haar naam had staan. Voorts staat vast dat niet alleen de bankrekening bij de DHB, maar ook de daaraan gekoppelde deposito- en spaarrekeningen in ieder geval al op 21 juli 2003 waren opgeheven. Desalniettemin meent het College dat appellante ook vanaf die datum de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Naar de Raad begrijpt, ligt hieraan ten grondslag dat wegens het ontbreken van bankafschriften van de bank- en spaarrekeningen bij de DHB geen duidelijkheid bestaat over (de hoogte van) de daarop aanwezige tegoeden en dat appellante ook geen inlichtingen heeft verstrekt over wat er met die tegoeden is gebeurd.

4.3.8. Het enkele feit dat appellante geen bankafschriften van de bank- en spaarrekening bij de DHB heeft overgelegd, brengt niet met zich dat zij ook na 21 juli 2003 niet heeft voldaan aan de op haar rustende inlichtingenverplichting. Deze bankafschriften hebben immers betrekking op de periode daaraan voorafgaand, toen appellante nog wel een bankrekening op haar naam had staan. Dat appellante na 21 juli 2003, zonder daarvan melding te maken, nog enig vermogen had in de vorm van vrijgekomen tegoeden na opheffing van de bank- en/of spaarrekening bij de DHB valt uit de beschikbare gegevens niet af te leiden. Het standpunt van het College dat ook na die datum sprake is van schending van de inlichtingenverplichting en, hiermee samenhangend, dat ook het recht op bijstand over de periode van 22 juli 2003 tot en met 30 november 2004 niet kan worden vastgesteld, mist dan ook een deugdelijke (feitelijke) onderbouwing. De Raad tekent hierbij aan dat, gegeven het feit dat appellante per 22 juli 2003 geen bankrekeningen meer op haar naam had staan, het aan het College is om aannemelijk te maken dat appellante ook vanaf dat moment niet voldeed aan de op haar rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand over de periode na 21 juli 2003 niet meer is vast te stellen. Vooralsnog is het College hierin niet geslaagd.

4.3.9. Uit hetgeen is overwogen onder 4.3.4 en 4.3.8 volgt dat het besluit van 20 september 2006, voor zover het ziet op de intrekking van bijstand over de maanden december 1998, januari en februari 1999, januari tot en met maart en juni 2000, november 2000 tot en met januari 2001 en over de periode van 22 juli 2003 tot en met 30 november 2004, niet op een deugdelijke motivering berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak 1 en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het beroep tegen het besluit van 20 september 2006 gegrond verklaren en dat besluit voor zover het ziet op de intrekking van bijstand over de zojuist genoemde periodes vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu appellante geen recht heeft op bijstand over - voor zover hier van belang - de genoemde maanden in de jaren 1998 tot en met 2001, zoals al tot uitdrukking is gebracht in rechtsoverweging 4.3.6, zal de Raad de rechtsgevolgen van het aldus te vernietigen gedeelte van het besluit van 20 september 2006 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand laten. De Raad zal het College opdragen voor het overige een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

De terugvordering

4.4. Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 1 oktober 1998 tot en met 21 juli 2003 op grond van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om tot terugvordering van die kosten over te gaan. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Wat betreft de periode van 22 juli 2003 tot en met 30 november 2004 staat echter niet vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de kosten van bijstand op grond van voormelde bepaling. Aangezien een terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het besluit van 20 september 2006, voor zover daarbij een bedrag van € 61.354,10 van appellante is teruggevorderd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal het College opdragen met betrekking tot de terugvordering een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De nieuwe aanvraag (08/1708 WWB)

4.5. De Raad stelt vast dat de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om bijstand van 11 januari 2005 berust op dezelfde ondeugdelijke grondslag als die waarop de intrekking van bijstand over de periode van 22 juli 2003 tot en met 30 november 2004 berust. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, zal de Raad met vernietiging van de aangevallen uitspraak 2 en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen het beroep tegen het besluit van 3 januari 2007 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen heeft moeten maken. Deze kosten worden begroot op € 966,-- in beroep en op € 966,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 september 2006 gegrond;

Vernietigt dit besluit, voor zover dat ziet op de intrekking van bijstand over de maanden december 1998, januari en februari 1999, januari tot en met maart en juni 2000, november 2000 tot en met januari 2001 en over de periode van 22 juli 2003 tot en met 30 november 2004 en voor zover daarbij een bedrag van € 61.354,10 van appellante is teruggevorderd;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 september 2006 in stand blijven voor zover deze betrekking hebben op de intrekking over de genoemde maanden in de jaren 1998 tot en met 2001;

Bepaalt dat het College voor het overige een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante dat is gericht tegen het besluit van 21 juli 2005, met inachtneming van deze uitspraak;

Vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 januari 2007 gegrond;

Vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellante dat is gericht tegen het besluit van 22 mei 2006, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.932,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;

Bepaalt dat het College aan appellante de in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 290,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2009.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

E.L.S.