Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
07/6737 WWB + 09/1014 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de verplichting te solliciteren naar arbeid, maar niet ontheven van sociale activering. De Raad: In dit geval houdt de aanwijzing van het project waaraan appellant moet deelnemen een nadere concretisering van de (...) re-integratieverplichting. Hierbij acht de Raad vooral van betekenis dat appellante is aangemeld voor een concreet omschreven project, zoals aangeboden en ingevuld door het betrokken projectbureau. Gelet op deze factoren, is de Raad van oordeel dat de hiervoor bedoelde mededeling in het besluit van 30 maart 2006 er niet slechts toe strekt appellante te herinneren aan de gelding van de (...) re-integratieverplichting, doch op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en om die reden moet worden aangemerkt als een besluit (...). De Raad stelt vast dat in de rapportage van het psychologisch onderzoek d.d. 1 september 2005 zonder voorbehoud wordt geconcludeerd dat appellante niet belastbaar is voor een traject sociale activering. Aangezien uit het primaire besluit van 30 maart 2006 duidelijk blijkt dat het project waarvoor appellante is aangemeld gericht is op sociale activering, ziet de Raad geen reden om aan te nemen dat appellante wel belastbaar moet worden geacht voor het project. Anders dan het College stelt, doet de opmerking in voormelde rapportage dat appellante eventueel meer structuur in haar leven zou kunnen krijgen door een paar uur per dag vrijwilligerswerk te verrichten niet aan de stellige conclusie van de rapportage af.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3, geldigheid: 2009-07-28
Wet werk en bijstand 9, geldigheid: 2009-07-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/292
JB 2009/225
JWWB 2009, 209
RSV 2009, 269
ABkort 2009/349

Uitspraak

07/6737 WWB

09/1014 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2007, 06/3351 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Op 7 februari 2008 heeft het College een nieuw besluit genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. In het kader van een arbeidsongeschiktheidsonderzoek heeft Aob Compaz het College bij rapport van 4 januari 2006 geadviseerd appellante op grond van een medisch- en psychologisch onderzoek niet belastbaar te achten voor arbeid. Dit advies is voor het College aanleiding geweest bij besluit van 30 maart 2006, voor zover hier van belang, appellante vanwege haar afstand tot de arbeidsmarkt tot 1 januari 2007 te ontheffen van de verplichting te solliciteren naar arbeid. Daarbij heeft het College appellante meegedeeld dat zij niet ontheven is van sociale activering, dat zij is aangemeld bij het project “Mee Doen bouwen aan burgerschap” (hierna: het project) en dat zij hieraan volledige medewerking dient te verlenen.

1.3. Bij besluit van 8 juni 2006 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 30 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank – met bepalingen inzake griffierecht en proceskosten – het beroep tegen het besluit van 8 juni 2006 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het College een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen. Daartoe heeft de rechtbank voor zover hier van belang overwogen dat de verplichting om gebruik te maken van de door het College aangeboden voorziening met als doel sociale activering, gelet op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, van rechtswege voor appellante geldt, dat het besluit van 30 maart 2006 in zoverre niet als een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan worden aangemerkt en dat het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.

3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het College bij besluit van 7 februari 2008 opnieuw op het bezwaar van appellante beslist waarbij - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen de in het besluit van 30 maart 2006 opgenomen medewerkingsverplichting aan het project niet-ontvankelijk is verklaard.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag wat het rechtskarakter is van de passage in het besluit van 30 maart 2006 die ziet op de aanmelding van appellante aan het project en de verplichting die haar is opgelegd om daaraan volledige medewerking te verlenen.

5.2. Op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende, voor zover hier van belang, verplicht gebruik te maken van een door het College aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

5.2.1. Ingevolge artikel 6, aanhef en onder c, van de WWB wordt onder sociale activering verstaan het verrichten van onbeloonde maatschappelijke zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie.

5.2.3. Uit de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 28 870, nr. 3, pag. 7 en 35) is af te leiden dat het doel van sociale activering is om personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt. Indien dit nog niet mogelijk is kunnen voorzieningen aangeboden worden, waaronder sociale activering, die vooralsnog zelfstandige participatie als tussendoel hebben. Daaronder wordt verstaan het bevorderen van het maatschappelijk functioneren door bijvoorbeeld zelfstandig vrijwilligerswerk te verrichten of deel te nemen aan activiteiten in de wijk of buurt.

5.2.4. Gelet op voormelde bepalingen en de wetsgeschiedenis daarvan kan de Raad appellante niet volgen in haar in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt dat het project waaraan zij verplicht moet deelnemen niet is gericht op arbeidsinschakeling en dus niet te beschouwen is als een verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. De beschikbare gegevens bieden geen aanknopingspunten dat het College bij de aan appellante aangeboden voorziening bestaande in deelname aan het project, een ander doel dan sociale activering in de zin van deze bepaling voor ogen heeft gestaan.

5.2.5. De Raad kan zich echter op andere gronden niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de in het besluit van 30 maart 2006 voor appellante opgenomen verplichting gebruik te maken van deze aangeboden voorziening geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hiertoe overweegt de Raad dat in dit geval, anders in dat van zijn uitspraak van 20 januari 2009, LJN BH2051, de aanwijzing van het project waaraan appellant moet deelnemen een nadere concretisering van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde re-integratieverplichting inhoudt. Hierbij acht de Raad vooral van betekenis dat appellante is aangemeld voor een concreet omschreven project, zoals aangeboden en ingevuld door het betrokken projectbureau. Gelet op deze factoren, is de Raad van oordeel dat de hiervoor bedoelde mededeling in het besluit van 30 maart 2006 er niet slechts toe strekt appellante te herinneren aan de gelding van de reeds in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB neergelegde re-integratieverplichting, doch op zelfstandig rechtsgevolg is gericht en om die reden moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

5.2.6. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar tegen de in geding zijnde mededeling in het besluit van 30 maart 2006 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Ook het ter uitvoering van die uitspraak genomen nadere besluit op bezwaar van 7 februari 2008, dat ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb mede in dit geding moet worden betrokken,voor zover daarbij het bezwaar gericht tegen die mededeling

niet-ontvankelijk is verklaard, dient te worden vernietigd. De Raad zal de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank, maar zelf een oordeel ten gronde geven.

5.3. De Raad stelt vast dat in de rapportage van het psychologisch onderzoek d.d. 1 september 2005 zonder voorbehoud wordt geconcludeerd dat appellante niet belastbaar is voor een traject sociale activering. Aangezien uit het primaire besluit van 30 maart 2006 duidelijk blijkt dat het project waarvoor appellante is aangemeld gericht is op sociale activering, ziet de Raad geen reden om aan te nemen dat appellante wel belastbaar moet worden geacht voor het project. Anders dan het College stelt, doet de opmerking in voormelde rapportage dat appellante eventueel meer structuur in haar leven zou kunnen krijgen door een paar uur per dag vrijwilligerswerk te verrichten niet aan de stellige conclusie van de rapportage af.

5.4. Dit betekent dat het College bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit van 8 juni 2006 heeft kunnen komen. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb te worden vernietigd.

Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de Raad het primaire besluit van 30 maart 2006 herroepen.

6. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 8 juni 2006, voor zover hierbij de verplichting mee te werken aan het project “Mee Doen bouwen aan burgerschap”, waarvoor appellante is aangemeld, is gehandhaafd;

Herroept het besluit van 30 maart 2006 in zoverre;

Vernietigt het besluit van 7 februari 2008 in zoverre;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 322,-- te betalen door de gemeente Amsterdam;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

DW