Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4373

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2009
Datum publicatie
04-08-2009
Zaaknummer
07-6819 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling. Met betrekking tot de waardering “onvoldoende” ten aanzien van gemaakte afspraken merkt de Raad op dat er in vijf achtereenvolgende maanden, van april tot en met augustus 2005, sprake is geweest van termijnoverschrijdingen: in april en mei 1, in juni en juli 5, en in augustus 3. De Raad is voorts van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat de waardering op de overige, als “voldoende” of “goed” beoordeelde onderdelen en het totale resultaatoordeel op onvoldoende gronden berusten. De Raad stelt vast dat de competenties in de aangepaste waardering alle zes als “voldoende” zijn gewaardeerd. Wat de competenties betreft blijven de scores derhalve ruim onder de maat om voor een resultaatoordeel “goed” in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6819 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 oktober 2007, 07/134 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de bestuur van de Dienst van het kadaster en de openbare registers (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 23 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Namens appellant is verschenen mr. M.A. Billiet-de Jonge, juridisch adviseur bij het Ambtenarencentrum te ’s-Gravenhage. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.J.M. van Aken, advocaat te Apeldoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als landmeetkundig cartografisch specialist bij het Kadaster te Leeuwarden. In februari 2005 zijn voor het beoordelingsjaar 2005 contractafspraken met appellant gemaakt. Onder meer is afgesproken, als prestatieafspraak 6.5, dat onderhanden werk binnen drie maanden verwerkt moet zijn.

1.2. Op 11 juli 2005 heeft een voortgangsgesprek plaatsgevonden. Met betrekking tot onderdeel 6.5 is aangegeven dat de levertijd van drie maanden zo nu en dan nog wordt overschreden en dat dit per 1 juni nog vijf akteposten zijn.

1.3. Bij primair besluit van 13 februari 2006 is een resultaatbeoordeling vastgesteld over het jaar 2005. Bij onderdeel 6.5 is aangegeven dat dit onvoldoende was daar het vijf van de twaalf maanden is voorgekomen dat er akteposten in behandeling waren waarvan de termijn was overschreden. Het totale resultaatoordeel (onderdeel 12) luidt: “voldoet aan de functie-eisen en komt de contractafspraken op een goede wijze na”.

1.4. Naar aanleiding van appellants bezwaar heeft de Bezwaren Advies Commissie Kadaster (BACK) erop gewezen dat de in de resultaatbeoordeling gebruikte terminologie op een aantal onderdelen niet overeenkomt met de Handleiding van de personeels-managementcyclus Kadaster (hierna: Handleiding). Voorts is volgens de commissie onvoldoende onderbouwd dat op onderdeel 6.5 daadwerkelijk vijf maanden sprake is geweest van een termijnoverschrijding.

1.5. Bij brief van 7 september 2006 heeft appellants leidinggevende de terminologie van de resultaatsbeoordeling aangepast en aangegeven dat het totale resultaatoordeel ongewijzigd blijft. Vervolgens heeft het bestuur bij het bestreden besluit van 3 oktober 2006 het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, de beoordeling aangepast aan de evengenoemde brief en het totale resultaatoordeel ongewijzigd vastgesteld als “voldoet aan de functie-eisen en komt de contractafspraken op een goede wijze na”.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij onder meer overwogen dat in de aangepaste resultaatbeoordeling is aangesloten bij de in artikel 4 van de Regeling Personeelsmanagementcyclus (RPMC) opgenomen resultaatscores en dat hiermee duidelijk is wat het oordeel op de diverse onderdelen is. Voorts berust de waardering “onvoldoende” voor onderdeel 6.5 niet op onvoldoende gronden. Nu uit de Handleiding volgt dat als één van de productonderdelen (zoals 6.5) onvoldoende is, het totale resultaatoordeel niet hoger kan zijn dan “voldoet aan de functie-eisen en komt de contractafspraken op een goede wijze na”, en appellant voorts niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn beoordeling op de positief gewaardeerde andere onderdelen hoger had moeten zijn, moet volgens de rechtbank worden geconcludeerd dat het totale resultaatoordeel niet op onvoldoende gronden berust.

3. In hoger beroep heeft appellant net als in eerste aanleg gesteld dat ook in de aangepaste resultaatbeoordeling nog steeds niet de juiste terminologie wordt gebruikt, en dat dit om die reden bij enkele onderdelen tot een te lage waardering heeft geleid. Voorts heeft hij wederom de onvoldoende waardering van onderdeel 6.5 bestreden. Gelet op de verbetering van de kwaliteit van zijn werk in het tweede halfjaar van 2005 had hij een beter totaal resultaatsoordeel moeten krijgen.

Het bestuur heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad onderschrijft het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Hij voegt daaraan, naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, nog het volgende toe.

4.2. Met betrekking tot de waardering “onvoldoende” ten aanzien van onderdeel 6.5 merkt de Raad op dat uit een schrijven van 8 augustus 2006 van appellant aan de BACK blijkt dat er in vijf achtereenvolgende maanden, van april tot en met augustus 2005, sprake is geweest van termijnoverschrijdingen: in april en mei 1, in juni en juli 5, en in augustus 3. Hieruit blijkt tevens dat, anders dan appellant in hoger beroep heeft gesteld, ook na het voortgangsgesprek van 11 juli 2005 nog overschrijding heeft plaatsgevonden. Dat het, zoals appellant heeft gesteld, daarbij slechts om geringe overschrijdingen ging, doet hier niet aan af; zeker na de signalering door zijn leidinggevende tijdens dat voortgangsgesprek had het appellant duidelijk kunnen zijn dat ook geringe overschrijdingen door de leiding niet overeenkomstig de prestatie-afspraak onder 6.5 werden geacht en tot een waardering “onvoldoende” konden leiden.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat, wat er zij van de terminologische onduidelijkheden, appellant - op wie in dit geval de bewijslast rust - er niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat de waardering op de overige, als “voldoende” of “goed” beoordeelde onderdelen en het totale resultaatoordeel op onvoldoende gronden berusten.

Voor zover appellant heeft gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met de opgetreden verbetering, stelt de Raad vast dat het standpunt van het bestuur dat de verbetering significant moest zijn om tot hogere scores te komen hem niet onredelijk voorkomt. Voorts kan het standpunt dat de beoordeling ziet op het gehele beoordelingsjaar en niet slechts op de laatste maanden, waarin het iets beter ging, worden onderschreven.

4.4. Tenslotte wijst de Raad er nog op, dat de bestrijding door appellant zich heeft toegespitst op een aantal productie-onderdelen. Uit de Handleiding blijkt echter dat om voor het door appellant gewenste resultaatoordeel in aanmerking te komen, niet alleen driekwart van de productie-onderdelen “goed” dient te zijn, en de andere productie-onderdelen tenminste voldoende. Bovendien dienen de functiegerichte competenties minimaal voor de helft “goed” te zijn en de andere helft minimaal “voldoende”. De Raad stelt vast dat de competenties in de aangepaste waardering alle zes als “voldoende” zijn gewaardeerd. Wat de competenties betreft blijven de scores derhalve ruim onder de maat om voor een resultaatoordeel “goed” in aanmerking te komen.

5. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD