Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
08/2275 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Timmerman. De Raad: beperkingen zijn niet onderschat. Medisch oordeel is tot stand gekomen op basis van lichamelijk onderzoek, hoorzitting, dossierstudie en informatie van de huisarts en het ziekenhuis. De bva heeft overtuigend gemotiveerd waarom zij geen aanleiding zag om verdergaande beperkingen in de FML vast te stellen. Elleboogklachten, triggerfinger aan de rechterhand, rugklachten, geen aanleiding om verdergaande rugbeperkingen danwel een urenbeperking aangewezen te achten. Medicatiegebruik. De Raad onderschrijft de beoordeling van de rechtbank van de arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2275 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2008, 07/1469 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.N. Ketting, advocaat bij FNV Bouw te Woerden, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapport van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 24 juni 2008.

Bij brief van 2 maart 2009 heeft de gemachtigde van appellant een expertise-rapport van orthopedisch chirurg P.A.L. Blokzeijl van 20 november 2008 overgelegd.

Het Uwv heeft een nader rapport van bezwaarverzekeringsarts Koek van 1 april 2009 ingediend, waarin een reactie wordt gegeven op het expertise-rapport.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. Ketting voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als timmerman toen hij zich op 21 februari 1994 ziek meldde wegens rugklachten. Na afloop van de wettelijke wachttijd is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De mate van arbeidsongeschiktheid was ondermeer gebaseerd op een medische urenbeperking in die zin dat hij passend werk kan verrichten gedurende 4 uur per dag.

1.2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op 14 juli 2006 onderzocht door de arts O. Liplavk. In zijn rapport van dezelfde datum concludeerde deze arts dat bij appellant, die twee keer is geopereerd aan een rughernia, onveranderd sprake is van rugklachten. Daarnaast heeft appellant last van gewrichtsklachten aan de ellebogen, schouders en knieën en van een nekartrose. Vervolgens heeft de arts vanwege deze klachten beperkingen ten aanzien van de rug, schouders, nek en knieën vastgesteld in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 14 juli 2006. Bij het arbeidskundig onderzoek is na functieduiding geconcludeerd dat het verlies aan verdienvermogen 35,93% bedroeg. Bij het besluit van 14 augustus 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 11 oktober 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.3. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts Koek appellant gezien tijdens de hoorzitting op 7 maart 2007 en heeft zij kennis genomen van de door appellant overgelegde gegevens van de huisarts van 10 augustus 2006 en 5 maart 2007 en van de informatie van het ziekenhuis van 14 november 2006 over de inschrijving voor een operatie aan de rechterelleboog en -vinger. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 13 maart 2007 geconcludeerd dat er geen medische reden is om af te wijken van het primaire medisch oordeel. In verband met een zogeheten verborgen beperking en een overbodige toelichting heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML aangepast en de beperkingen weergegeven in de FML van 13 maart 2007. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst in zijn rapport van 16 mei 2007 vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functie meteropnemer niet geschikt is. De overige geduide functies heeft hij wel geschikt geacht. Voorts heeft hij deze geschiktheid nader gemotiveerd. Op basis van de gewijzigde functieduiding heeft de bezwaararbeidsdeskundige het verlies aan verdienvermogen berekend op 45,8%. Bij besluit van 24 mei 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de WAO-uitkering per 11 oktober 2006 gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 24 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De medische grondslag van het bestreden besluit is door de rechtbank onderschreven. Daarbij is ondermeer overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in een nadere reactie van

17 oktober 2007 gemotiveerd heeft uitgelegd dat de in beroep overgelegde gegevens van de huisarts van 23 juli 2007 geen aanleiding geven om meer beperkingen aan te nemen. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag is door de rechtbank geoordeeld dat de bezwaararbeidsdeskundige de geschiktheid van de geduide functies voldoende heeft gemotiveerd, met uitzondering van de functie samensteller. Ondanks het wegvallen van deze functie resteren er voldoende andere functies en arbeidsplaatsen en blijft de mate van arbeidsongeschiktheid 45 tot 55%.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het niet langer aannemen van een urenbeperking onvoldoende is gemotiveerd, dat er ten onrechte geen beperkingen zijn vastgesteld vanwege zijn klachten aan de ellebogen en vingers, dat hij meer beperkt is ten aanzien van de rugklachten en dat hij tevens beperkt is in zijn reactievermogen als gevolg van medicatiegebruik. Vanwege het medicatiegebruik acht appellant de geduide functie surveillant (bewaker/portier) ongeschikt. Ter onderbouwing van het hoger beroep heeft appellant informatie over de medicijnen Codeïne en Tramal, een afspraakbevestiging met de Hand Clinic op 29 november 2007 alsmede een expertise-rapport van orthopedisch chirurg Blokzeijl van 20 november 2008 overgelegd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank heeft de Raad in de gedingstukken geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant op de datum in geding heeft onderschat. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts tot stand is gekomen op basis van lichamelijk onderzoek, hoorzitting, dossierstudie en informatie van de huisarts en het ziekenhuis. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 13 maart 2007 overtuigend gemotiveerd waarom zij in de bezwaren en de informatie van de behandelend sector geen aanleiding zag om verdergaande beperkingen in de FML vast te stellen.

4.2. Ten aanzien van de pijnklachten aan de ellebogen ten gevolge van epicondylitis lateralis, is door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 13 maart 2007 aangegeven dat met de beperkingen voor zwaar tillen in de FML de linkerarm, waaraan appellante enkele jaren geleden is geopereerd, al in voldoende mate wordt ontzien en dat deze beperkingen ook van toepassing zijn voor de rechterarm. Gelet op deze toelichting van de bezwaarverzekeringsarts, is de Raad van oordeel dat met de elleboogklachten, anders dan appellant in hoger beroep stelt, wel rekening is gehouden. Uit het in hoger beroep overgelegde expertise-rapport van orthopedisch chirurg Blokzeijl, waarin Blokzeijl ondermeer heeft geconcludeerd dat appellant per de datum in geding beperkt is in het gebruik van de rechterarm vanwege klachten aan de elleboog, blijkt niet dat Blokzeijl ten aanzien van de rechterarm verdergaande beperkingen dan reeds in de FML opgenomen, noodzakelijk acht. De vermelding in de brief van de huisarts van 23 juli 2007 dat repetitieve handelingen, waaronder schroefbewegingen, kunnen leiden tot pijn en verdere ontstekingen in de ellebogen, biedt de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen vanwege de elleboogklachten, nu dit standpunt van de huisarts in het rapport van Blokzeijl niet nader wordt ondersteund.

4.3. Ten aanzien van de triggerfinger aan de rechterhand, waaraan appellant op 8 februari 2007, na de datum in geding, is geopereerd, is in hoger beroep door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 24 juni 2008 voldoende gemotiveerd dat de reeds aangenomen beperkingen voor de rechterarm ten aanzien van tillen, doorwerken voor de rechterhand en dat er geen noodzaak is om voor de triggerfinger beperkingen voor handgrepen vast te stellen. Voorts blijkt ook uit het rapport van Blokzeijl niet dat er redenen zijn om verdergaande beperkingen voor de handen vast te stellen.

4.4. Ten aanzien van de rugklachten is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 juni 2008 toegelicht dat een medische onderbouwing om meer beperkingen voor de rug aan te nemen, ontbreekt. Naar aanleiding van de conclusie in het rapport van Blokzeijl dat bij appellant sprake is van een failed back surgery syndroom dat normaal functioneren volledig in de weg staat en een urenbeperking tussen de 10 en 20 uur per week noodzakelijk maakt, is door de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 1 april 2009 gemotiveerd bestreden dat de door Blokzeijl gevonden afwijkingen en geconstateerde ernst van de klachten ook in 2006 aanwezig moeten zijn geweest. De Raad ziet in het rapport van Blokzeijl dan ook geen aanleiding om verdergaande rugbeperkingen danwel een urenbeperking aangewezen te achten.

4.5. Ten aanzien van het medicatiegebruik en de gestelde beïnvloeding van het reactievermogen is in het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 24 juni 2008 afdoende toegelicht dat er geen contra-indicatie is voor autorijden, omdat aanwijzingen voor het gebruik van Tramal per de datum in geding ontbreken en appellant de keuze heeft om in plaats van Codeïne andere medicatie te gebruiken.

4.6. Gelet op het hiervoor overwogene is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn om de in de FML vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden.

4.7. Voorts onderschrijft de Raad de beoordeling van de rechtbank van de arbeidskundige grondslag. Mede gelet op de toelichting in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 16 mei 2007 op de gesignaleerde aspecten, is terecht door het Uwv aangenomen dat de drie functies die uiteindelijk als schattingsgrondslag resteren, in medisch opzicht geschikt kunnen worden geacht. Ten aanzien van de grief dat de functie surveillant (bewaker/portier) ongeschikt is vanwege het autorijden en de mogelijk nadelige invloed van medicatiegebruik op zijn reactievermogen, is reeds in het hiervoor vermelde rapport van 24 juni 2008 door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd dat op de datum in geding een medische contra-indicatie voor autorijden ontbrak. Het medicatiegebruik van appellant vormt daarom geen aanleiding om de functie surveillant (bewaker/portier) ongeschikt te achten.

4.8. De slotsom is dat het hoger beroep niet kan slagen.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.V. Benza als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2009.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) R.V. Benza.

EV