Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ4143

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
07-6164 WWB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing 2e aanvraag bijzondere bijstand voor legeskosten in verband met een nieuwe aanvraag tot verlenging van haar verblijfsvergunning en die van haar minderjarige zoon. De Raad: De eerder door het College toegekende en betaalde bijzondere bijstand heeft appellante niet aangewend voor de betaling van de legeskosten van haar eerste aanvragen om verlenging van de verblijfsvergunningen. Zij heeft dit ook niet gedaan bij de tweede aanvraag om die verlenging. Hierdoor heeft appellante tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond, waardoor de noodzaak van bijstandsverlening ontstond. Het College kan bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tot uitgangspunt nemen dat het bevoegd is de aan appellante toe te kennen bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 204

Uitspraak

07/6164 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 september 2007, nr. 06/1654 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College).

Datum uitspraak: 14 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 28 januari 2009 heeft mr. B van Dijk, advocaat te Groningen, de Raad bericht dat hij de zaak van mr. Schaap heeft overgenomen.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 21 april 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij beschikte van 15 november 2002 tot 15 november 2005 over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Op 2 december 2005 heeft appellante een aanvraag om verlenging van haar verblijfsvergunning en die van haar minderjarige zoon ingediend. Op 30 december 2005 heeft zij een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de legeskosten in verband met die verlenging. Bij besluit van 8 februari 2006 heeft het College bijzondere bijstand verleend voor deze legeskosten waarna op

9 februari 2006 een bedrag van € 376,00 op de girorekening van appellante is gestort. Omdat deze girorekening een aanmerkelijk negatief saldo vertoonde, heeft appellante de verschuldigde leges niet tijdig uit de daarvoor toegekende en betaalde bijzondere bijstand voldaan. Bij beschikkingen van 21 februari 2006 heeft de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie de aanvragen van appellante en haar zoon buiten behandeling gesteld wegens het niet betalen van de verschuldigde leges.

1.2. Appellante heeft op 11 april 2006 opnieuw een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor legeskosten in verband met een nieuwe aanvraag tot verlenging van haar verblijfsvergunning en die van haar minderjarige zoon. Deze kosten bedragen in totaal € 240,00. De aanvraag voor bijzondere bijstand is door het College afgewezen bij besluit van 25 april 2006 op de grond dat appellante voor deze kosten al eerder bijzondere bijstand heeft ontvangen.

1.3. Bij besluit van 7 december 2006 is het bezwaar tegen het besluit van 25 april 2006 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de grond voor afwijzing is dat er geen sprake is van noodzakelijke kosten en dat er evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden of zeer dringende redenen om tot bijstandsverlening over te gaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet Werk en Bijstand (hierna: WWB) heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad behoren legeskosten tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

4.3. Zoals blijkt uit het besluit van 7 december 2006 stelt het College zich op het standpunt dat de legeskosten in dit geval geen noodzakelijke kosten zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB en dat er evenmin bijzondere omstandigheden of zeer dringende redenen aanwezig zijn om tot bijstandsverlening over te gaan.

4.4. Vast staat dat appellante ter voorziening in de legeskosten geen aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening, en dat zij niet voor deze kosten heeft kunnen reserveren. Immers, tussen de datum waarop de toegekende bijzondere bijstand voor legesbetaling op de girorekening van appellante werd gestort, en de datum van de tweede aanvraag om bijzondere bijstand deswege, zijn slechts twee maanden verstreken. Naar het oordeel van de Raad is deze periode te kort om te kunnen reserveren voor legeskosten als hier in het geding. De Raad ziet hierin voldoende grond voor het oordeel dat in het geval van appellante sprake is geweest van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB, en niet gezegd kan worden dat zij voor deze tweede aanvraag om verlening van de verblijfsvergunningen en de daarvoor verschuldigde leges al bijzondere bijstand heeft ontvangen.

4.5. Het onder 4.4. gegeven oordeel leidt de Raad tot de conclusie dat het besluit van 7 december 2006 in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), niet op een deugdelijke motivering berust.

4.6. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De Raad ziet hierin aanleiding om, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond te verklaren en het besluit van 7 december 2006 te vernietigen. Het College dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Met het oog daarop overweegt de Raad het volgende.

4.7. Op grond van de beschikbare gegevens kan naar het oordeel van de Raad als vaststaand worden aangenomen dat in het inkomen en het vermogen van appellante geen draagkracht aanwezig was om de legeskosten te voldoen. Dit brengt mee dat appellante in aanmerking komt voor bijzondere bijstand in deze kosten.

4.8. In artikel 48, eerste lid, van de WWB is de vorm van de te verlenen bijstand bepaald dat bijstand om niet wordt verleend, tenzij in deze wet anders is bepaald. Ingevolge artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB kan bijstand worden verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

Deze bepaling ziet op de situatie waarin de noodzaak tot bijstandsverlening is te wijten aan het feit dat de betrokkene blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

4.9. De Raad is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. De eerder door het College toegekende en betaalde bijzondere bijstand heeft appellante niet aangewend voor de betaling van de legeskosten van haar eerste aanvragen om verlenging van de verblijfsvergunningen. Zij heeft dit ook niet gedaan bij de tweede aanvraag om die verlenging. Hierdoor heeft appellante tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond, waardoor de noodzaak van bijstandsverlening ontstond. De omstandigheid dat de girorekening van appellante een negatief saldo vertoonde, waardoor zij niet in staat was om de toegekende bijzondere bijstand overeenkomstig de bedoeling daarvan aan te wenden, doet daaraan niet af, nu dit voortvloeit uit haar eigen gedragingen en dit gevolg was te voorzien, zodat dit voor haar rekening dient te komen.

4.10. Gelet op het vorenstaande kan het College bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar tot uitgangspunt nemen dat het bevoegd is de aan appellante toe te kennen bijzondere bijstand met toepassing van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB in de vorm van een geldlening te verlenen. Het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het College noodzakelijk is en de Raad onvoldoende inzicht heeft in de omvang van de door het besluit van 7 december 2006 en het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit geleden schade. Het College zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of, en zo ja, in hoeverre er aanleiding is om schade te vergoeden.

5. De Raad ziet tot slot aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 7 december 2006;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

E.L.S.