Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
31-07-2009
Zaaknummer
07-4944 WVG + 07-5034 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen medische noodzaak voor een gesloten buitenwagen. Of sprake is van een medische noodzaak moet worden beoordeeld naar de maatstaf dat tengevolge van ziekte of gebrek, naar objectief medische maatstaf gemeten, beperkingen worden ondervonden bij het zich vervoeren buiten de woning. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 10 januari 2007, LJN AZ7153. De Raad is van oordeel dat uit de medische stukken niet blijkt dat appellante op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, aangewezen was op gesloten buitenvervoer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/4944 WVG

07/5034 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juli 2007, 04/3977 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 15 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J.E.J. Coenraad, advocaat te Zandvoort, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 17 september 2008. Voor appellanten is verschenen mr. Coenraad. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.A.J.M. Koonings en drs. M.M.C.A. Bense, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen. Vervolgens is de gemachtigde van appellanten in de gelegenheid gesteld nader bewijs in te brengen.

Namens appellante is daarop bij brieven van 18 december 2008, 24 maart 2009 en 9 april 2009 een reactie ingezonden.

Namens het College is daarop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 3 juni 2009. Voor appellante is mr. Coenraad verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante heeft op 8 januari 2002 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen aangevraagd.

1.3. De organisatie Tot & Met heeft het College bij rapport van 28 april 2002 van advies gediend. Het advies houdt in dat er een indicatie bestaat voor een gesloten buitenwagen.

1.4. Het College heeft de aanvraag bij besluit van 18 juli 2002 afgewezen op de grond dat appellante in staat wordt geacht om gebruik te maken van het collectief vervoer, van een taxi, dan wel van een auto van derden.

2.1. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2002 bij besluit van 8 april 2003 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 april 2003 bij uitspraak van 8 april 2004, reg.nr. 03/1789, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar.

3.1. Het College heeft het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2002 bij besluit van 6 juli 2004 ongegrond verklaard.

3.2. Appellante heeft tegen het besluit van 6 juli 2004 beroep ingesteld.

3.3. Het College heeft vervolgens alsnog een hoorzitting gehouden, waarna het besluit van 6 juli 2004 is vervangen door het besluit van 14 februari 2006. Dit besluit houdt in dat het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2002 ongegrond wordt verklaard.

Het College stelt zich op het standpunt dat er geen medische noodzaak is voor een gesloten buitenwagen. Het College baseert zich op een advies van Argonaut B.V. van 25 april 2005. Dit advies houdt in dat appellante in staat moet worden geacht om gebruik te maken van collectief vervoer.

4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 juli 2004 mede gericht geacht tegen het besluit van 14 februari 2006. Zij heeft het beroep tegen het besluit van 6 juli 2004 niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang. Het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006 heeft zij ongegrond verklaard. Het College is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat uit de medische gedingstukken, in het bijzonder het advies van Argonaut B.V., niet blijkt dat appellante aan zodanige weersgevoelige aandoeningen lijdt, dat zich niet anders dan met gesloten vervoer buitenshuis kan verplaatsen. De omstandigheid dat Tot & Met in 2002 positief heeft geadviseerd ter zake van de aanvraag van appellante, doet daaraan gezien het meer recente advies van Argonaut B.V. geen afbreuk. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het advies van Argonaut B.V. zorgvuldig tot stand is gekomen en dat appellante er niet in is geslaagd aan te tonen dat bij appellante sprake is van een weersgevoelige aandoening.

4.2. Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

Zij stellen zich op het standpunt dat appellante wel in aanmerking komt voor verstrekking van een gesloten buitenwagen. Appellante heeft een chronische longaandoening, waardoor zij kortademig is en niet meer dan een paar meter kan lopen. Aan het advies van Argonaut B.V. zou geen betekenis mogen worden gehecht omdat het niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Appellante is niet lichamelijk onderzocht en haar medische specialisten zijn niet geraadpleegd. De longarts heeft aangetoond dat sprake is van een ernstige longaandoening en dat verstrekking van een gesloten buitenwagen noodzakelijk is. Collectief vervoer en vervoer per taxi zijn geen adequate voorzieningen voor vervoer in de buurt, bijvoorbeeld om boodschappen te doen of op visite te gaan. Bovendien beperken zij de vrijheid van appellante. Appellante heeft in hoger beroep ter onderbouwing van haar stellingen een aan de huisarts gerichte brief van haar longarts

d.d. 18 april 2008 en een verklaring van de huisarts d.d. 3 december 2008 ingezonden.

4.3. Het College heeft gepersisteerd bij zijn in het besluit van 14 februari 2006 neergelegde standpunt. Het stelt zich op het standpunt dat uit de in hoger beroep nieuw overgelegde verklaringen niet volgt dat appellante ten tijde in geding aangewezen was op gesloten buitenvervoer.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De Raad stelt eerst vast dat het hoger beroep van appellant tegen de aangevallen uitspraak op de zitting van 17 september 2008 is ingetrokken. Dit betekent dat uitsluitend nog aan de orde is het hoger beroep van appellante tegen die uitspraak. Hij stelt verder vast dat dit hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank dat het beroep tegen het besluit van 14 februari 2006 ongegrond moet worden verklaard.

5.2. Voor een weergave van de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften wordt naar de aangevallen uitspraak verwezen. Daaraan wordt toegevoegd dat de beleidsregels Wet voorzieningen gehandicapten van het College van 29 juni 2001 ervan uitgaan dat met een gesloten buitenwagen alle vervoersbehoeften van de gehandicapte op de korte afstand en de iets langere afstand kunnen worden ingevuld in de situatie dat het openbaar vervoer, het aanvullend openbaar vervoer en andere verplaatsingsmiddelen voor die gehandicapte niet in aanmerking komen. Die regels houden voorts in dat een gehandicapte alleen dan voor een gesloten buitenwagen in aanmerking komt, wanneer er een medische noodzaak is voor bescherming tegen weersinvloeden. Daarbij heeft te gelden dat de vraag of sprake is van een medische noodzaak moet worden beoordeeld naar de maatstaf dat tengevolge van ziekte of gebrek, naar objectief medische maatstaf gemeten, beperkingen worden ondervonden bij het zich vervoeren buiten de woning. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 10 januari 2007, LJN AZ7153.

5.3. Uit de rechtspraak van de Raad vloeit verder voort dat het afwijzen van de aanvraag van een gesloten buitenwagen niet enkel kan worden gebaseerd op de grond dat de aanvrager gebruik kan maken van het collectief (aanvullend openbaar) vervoer, aangezien dit vervoer geen voorziening is voor de (zeer) korte afstand. In een situatie waarin de gehandicapte een uiterst beperkt loopvermogen heeft dient een (aanvullende) vervoersvoorziening te worden getroffen voor verplaatsingen over de korte afstand.

De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 4 juni 2008, LJN BD5844.

Bij (zeer) korte afstand moet gedacht worden aan een maximale loopafstand van ongeveer 100 meter.

5.4. De Raad is van oordeel dat uit de medische stukken niet blijkt dat appellante ten tijde in geding - de periode van de aanvraag van 8 januari 2002 tot de beslissing op bezwaar van 14 februari 2006 - op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, aangewezen was op gesloten buitenvervoer. De Raad acht zich wat dat betreft voldoende voorgelicht door het advies van Argonaut B.V. van 25 april 2005. De arts A.A. Coster is daarin op grond van dossieronderzoek, een huisbezoek en gegevens verkregen van de huisarts tot de conclusie gekomen dat de longaandoening van appellante niet zodanig ernstig is dat deze de verstrekking van een gesloten buitenwagen rechtvaardigt. Weliswaar is er enig effect van de weersomstandigheden, maar appellante kan zich hierop kleden. De rapportage van Tot & Met van 28 april 2002 leidt de Raad niet tot een ander oordeel omdat daarin niet wordt overwogen dat appellante op medische gronden aangewezen is op gesloten buitenvervoer. Aan de brieven van de huisarts R.M. Foppen van 3 december 2008 en de longarts dr. M.J.J.M. van Hengstum van 18 april 2008 kan evenmin de betekenis worden gehecht die appellante daaraan gehecht wenst te zien.

De huisarts verklaart dat appellante zeer gevoelig is voor weersinvloeden, maar geeft niet aan dat dit ook reeds het geval was in de periode in geding. Ook verbindt hij daaraan niet de conclusie dat appellante aangewezen is op gesloten buitenvervoer. De brief van de longarts beperkt zich tot een opsomming van bevindingen bij onderzoek en gaat in het geheel niet in op de te dezen relevante vraag of appellante op medische gronden, naar objectieve maatstaf gemeten, aangewezen was op gesloten vervoer buitenshuis.

5.5. Uit de medische stukken blijkt evenmin dat appellante ten tijde hier in geding - zie 5.4 - aangewezen was op een vervoersvoorziening voor de (zeer) korte afstand.

Het Advies van Tot & Met van 28 april 2002 schat de maximale loopafstand van appellante - wisselend en afhankelijk van het weer - op een paar honderd meter; de rapportage van Argonaut B.V. van 25 april 2005 op vierhonderd meter. De brief van huisarts Foppen van 3 december 2008 geeft aanleiding om uit te gaan van een veel kortere afstand, maar dateert van ver na de periode in geding. De Raad moet het er onder deze omstandigheden voor houden dat de beperkingen van appellante in zoverre nadien zijn toegenomen.

5.6. De grief van appellante dat het onderzoek van Argonaut B.V. onzorgvuldig is geweest treft geen doel. Het onderzoek is verricht door de arts A.A. Coster. Deze arts heeft dossieronderzoek verricht, appellante lichamelijk onderzocht, een huisbezoek afgelegd en inlichtingen verkregen van de huisarts van appellante. De Raad ziet niet in op welke punten dit onderzoek niet aan daaraan te stellen eisen zou beantwoorden.

5.7. De grief van appellante dat het College had moeten volstaan met het onderzoek van Tot & Met van 28 april 2002 en dat het niet nadien nog een advies had mogen inwinnen bij Argonaut B.V. treft evenmin doel. Het College mocht er, gezien het beleid, aan twijfelen dat Tot & Met in het advies van 28 april 2002 is uitgegaan van het juiste beoordelingskader. Daar komt nog bij dat in 2005 de medische situatie van appellante gewijzigd kon zijn.

5.8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het College zich terecht op het standpunt stelt dat appellante ten tijde in geding niet was aangewezen op gesloten buitenvervoer.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voorzover aangevochten.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C. de Blaeij.

RB