Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
11-08-2009
Zaaknummer
06-6078 WAO + 07-899 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening WAO-uitkering (15-25%). Bevoegdheid appellant (Uwv). Onderzoek door een Duitse arts. Appellant had bij het nemen van een beslissing inzake de mate van arbeidsongeschiktheid, conform artikel 51 van Vo. 574/72 de medische controle op verzoek van appellant primair door een arts van het bevoegde orgaan van de woon- of verblijfplaats moeten laten verrichten. De Raad concludeert dat op grond van het gemeenschapsrecht een arts in het woonland de medische toestand van betrokkene vaststelt. De opvatting van de rechtbank dat alleen van een zorgvuldig medisch onderzoek sprake kan zijn indien de FML wordt ingevuld door de arts die ook het medisch onderzoek heeft verricht is met dit gemeenschapsrechtelijk stelsel onverenigbaar. FML is terecht opgesteld op basis van het medisch onderzoek in Duitsland vertaald naar de Nederlandse wet- en regelgeving inzake arbeidsongeschiktheid. Dat geldt ook voor het aspect ‘wisselende diensten’. Niet gebleken dat betrokkene, in de primaire fase van de besluitvorming, te kennen heeft gegeven gekeurd te willen worden door een (verzekerings)arts in Nederland. Van een afstand als bedoeld in het arrest Voeten & Beckers is dan ook geen sprake geweest. De Raad voegt hieraan toe dat de in het kader van de toepassing van artikel 51 van Vo. 574/72 vereiste zorgvuldigheid niet zo ver gaat dat appellant betrokkene op de mogelijkheid van een keuring door het bevoegde Nederlandse orgaan had moeten wijzen (vgl. CRvB 9 september 2005, LJN AU2358). 2) BIj nader besluit herziening naar 25-35%. Voldoende arbeidskundige grondslag. Uitgegaan van juiste Schattingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6078 WAO

07/899 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 september 2006, 05/717 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 9 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens betrokkene heeft mr. E. van Wolde, advocaat te Groningen, van verweer gediend.

Door appellant is een nieuwe beslissing op bezwaar in het geding gebracht gedagtekend 31 januari 2007.

Namens betrokkene is hierop gereageerd.

Door appellant is een vraag van de Raad beantwoord. Daarbij is tevens een aantal nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009. Voor appellant zijn verschenen mr. J. Eijkhout LLB en mr. M.C.F.M. Mollee. Betrokkene en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam geweest als buschauffeur. Nadat hij zich per 26 januari 1999 arbeidsongeschikt had gemeld heeft appellant met ingang van 22 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan betrokkene toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 12 september 2002 heeft appellant met ingang van 9 juli 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene nader vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2. In de eerste helft van 2003 is betrokkene verhuisd naar Bunde (Duitsland). Op 20 januari 2005 is betrokkene op verzoek van appellant in Duitsland onderzocht door de internist dr. D. Babbel. Van dit onderzoek is een E213-formulier opgesteld. Toegevoegd is een bijlage waarop de beperkingen van betrokkene zijn aangegeven. De verzekeringsarts J.P.J. Gielen heeft vervolgens een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld gedateerd 15 februari 2005. De arbeidsdeskundige R. Hanssen heeft betrokkene onveranderd ongeschikt geacht voor de eigen functie. Hanssen acht een tiental functies wel passend voor betrokkene. Op basis van de loonwaarde van de mediane functie van de drie hoogstverlonende functies en het maatmaninkomen van betrokkene, concludeert Hanssen tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 8 maart 2005 is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 7 mei 2005 vastgesteld op 15 tot 25%.

2.1. In bezwaar is door betrokkene verzocht om een herkeuring door een arts in Nederland. Volgens betrokkene begreep dr. Babbel de Nederlandse formulieren niet helemaal. Op 3 mei 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch een telefonisch onderhoud gehad met betrokkene. Uit de rapportage van Kerbusch blijkt dat betrokkene inmiddels was verhuisd naar Nederland en dat zij de bezwaren van betrokkkene tegen het onderzoek van dr. Babbel niet kan onderschrijven. Kerbusch concludeert dat betrokkene functionele mogelijkheden heeft en dat hij gedurende acht uur per dag kan werken. Er is geen reden voor energetische beperkingen. Kerbusch is akkoord met de beperkingen zoals vastgelegd door de primaire verzekeringsarts.

2.2. Bij besluit van 4 mei 2005 (hierna: besluit 1) is het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. In beroep is namens betrokkene aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat, waarbij in het bijzonder wordt bestreden dat een duurbeperking niet aangewezen zou zijn. Verder wordt aangegeven dat betrokkene het nadrukkelijk niet eens is met het onderzoek door een Duitse arts.

3.2. Ter zitting van de rechtbank is namens betrokkene primair betoogd dat vraagtekens gezet kunnen worden bij een WAO-besluit dat is genomen op basis van een onderzoek door een Duitse arts die de CBBS-systematiek niet beheerst en die zelf niet de FML heeft ingevuld. Zonder contact met de arts in Duitsland is vervolgens de FML ingevuld en zijn functies geduid. Daarbij is aangevoerd dat de FML deels afwijkt van de beperkingen die in Duitsland zijn vastgesteld en dat die afwijkingen niet of nauwelijks zijn gemotiveerd. Verder wordt erop gewezen dat er functies zijn geduid met wisselende diensten. Blijkens de rapportage van dr. Babbel zijn dergelijke functies (medisch) niet geschikt voor appellant.

3.3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen, waar voor “eiser” “appellant” dient te worden gelezen:

“De rechtbank heeft vastgesteld dat de Duitse keuringsarts die eiser heeft gezien en onderzocht niet degene is die de Functionele Mogelijkhedenlijst (de FML) van 15 februari 2005 heeft ingevuld. Deze is ingevuld door verzekeringsarts Gielen, die eiser niet heeft gezien of onderzocht, maar die wel de beschikking had over de rapportage van de Duitse keuringsarts, Babbel.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze ingevulde FML, welke vervolgens als basis heeft gediend voor de arbeidskundige beoordeling, integraal onderdeel uit van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. De rechtbank acht het in het kader van een zorgvuldig medisch onderzoek noodzakelijk dat de FML wordt ingevuld door de arts die ook het medisch onderzoek heeft verricht. De FML is immers te beschouwen als de vertaling van de uit het medisch onderzoek voortvloeiende verzekeringsgeneeskundige bevindingen in een lijst met beperkingen. Nu in de onderhavige situatie een splitsing heeft plaatsgevonden tussen het medisch onderzoek en het invullen van de FML, met als gevolg dat de FML is ingevuld door een arts die eiser niet medisch heeft onderzocht, is de rechtbank van oordeel dat het besluit eiser per 7 mei 2005 15-15% arbeidsongeschikt te achten in het kader van de WAO berust op een onvoldoende medische grondslag.

Nu deze door de rechtbank geconstateerde omissie in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in de heroverwegingsfase niet is hersteld, immers ook de bezwaarverzekeringsarts acht eiser beperkt conform het eerder vastgestelde FML zonder eiser zelf te hebben gezien, ontbeert ook het bestreden besluit een voldoende medische grondslag.

De rechtbank voegt daaraan toe dat ter zitting is gebleken dat er sprake is van objectief vast te stellen discrepantie tussen de bevindingen van Babbel en de beperkingen die door Gielen zijn opgenomen in de FML van 15 februari 2005 in ieder geval als het gaat om het al dan niet kunnen werken in wisseldiensten.”.

4.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de opvatting van de rechtbank dat alleen van een zorgvuldig medisch onderzoek sprake kan zijn indien de FML wordt ingevuld door de arts die ook het medisch onderzoek heeft verricht. Daarbij wordt aangetekend dat het hier gaat om een zaak waarin de verzekerde in het buitenland woont. Appellant acht de opvatting van de rechtbank in strijd met het EG-recht. Appellant wijst erop dat artikel 51 van Verordening (EEG) nr. 574/72 (hierna: Vo. 574/72) in beginsel verplicht tot keuring door een arts van het bevoegde orgaan van de woon- of verblijfplaats van betrokkene.

Ten aanzien van de afwijkingen in de FML van de door de arts in Duitsland vastgestelde beperkingen heeft het Uwv een rapportage ingebracht van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker gedateerd 27 november 2006. Volgens Jonker is het de taak van de Nederlandse verzekeringsarts om een FML op te stellen. Het is een Nederlandse beoordeling volgens WAO-normen, waarbij de Nederlandse verzekeringsarts zich zal moeten conformeren aan de Nederlandse wet- en regelgeving. Dat kan inhouden dat men toch op bepaalde punten moet afwijken van de door de buitenlandse arts aangenomen beperkingen. Getoetst aan dit uitgangspunt concludeert Jonker dat alleen ten aanzien van het item “tocht’ een aanpassing van de FML aangewezen is.

4.2. De bezwaararbeidsdeskundige H.J.M. Saris heeft vervolgens opnieuw de passendheid van de geselecteerde functies getoetst. Saris concludeert dat in een tweetal van de aan de schatting ten gronde gelegde functies de belastbaarheid van betrokkene wordt overschreden. Selectie van een tweetal passende reservefuncties leidt tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 28.83 en derhalve tot indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Bij besluit van 31 januari 2007 (hierna: besluit 2) heeft appellant besluit 1 ingetrokken, het bezwaar alsnog gegrond verklaard en betrokkene per 7 mei 2005 ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

4.3. De Raad heeft aan partijen laten weten dat vooralsnog is besloten om in deze procedure tevens een oordeel te geven over besluit 2.

4.4. In verweer is namens betrokkene onder meer betoogd dat appellant betrokkene er op had moeten wijzen dat hij afstand kon doen van zijn recht om gekeurd te worden door een arts in Duitsland. Bestreden wordt de stelling van appellant dat deze de uitkomsten van het onderzoek in Duitsland mag invullen aan de hand van de Nederlandse keuringsnormen. Naar de mening van betrokkene dient artikel 51 van Vo. 574/72 zo te worden uitgelegd dat als appellant er van afziet om de betrokkene zelf nog te keuren, de keuringsrapportage van de keurende arts volledig moet worden overgenomen. Het kan niet zo zijn dat een verzekeringsarts zonder de betrokkene zelf te zien de bestaande rapportage op punten aanpast dan wel wijzigt. Hetzelfde geldt bij de selectie van functies. Functies met overschrijdingen mogen alleen worden geselecteerd indien de arts die betrokkene zelf heeft onderzocht aangeeft waarom deze betrokkene de betreffende functies ondanks de overschrijdingen toch kan vervullen.

4.5. Naar aanleiding van besluit 2 is namens betrokkene naar voren gebracht dat hij niet voor een herbeoordeling in het kader van het aangepaste Schattingsbesluit in aanmerking kwam. Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant een besluit overgelegd van 19 juli 2007, waaruit blijkt dat betrokkene is herbeoordeeld en dat hij onveranderd is ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2 Appellant heeft als grond tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen van een zorgvuldig medisch onderzoek sprake kan zijn indien de FML wordt ingevuld door de arts die ook het medisch onderzoek heeft verricht.

5.3. Met betrekking tot deze grond stelt de Raad voorop dat, op grond van het gemeenschapsrecht en met name artikel 51 van Vo. 574/72 alleen appellant, als het behandelende orgaan, bevoegd is te beslissen over de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene. Daarbij dient appellant toepassing te geven aan de Nederlandse arbeidsongeschiktheidsregelingen. Daaraan doet niet af dat appellant bij het nemen van een beslissing inzake de mate van arbeidsongeschiktheid, conform artikel 51 van Vo. 574/72 de medische controle op verzoek van appellant primair door een arts van het bevoegde orgaan van de woon- of verblijfplaats moet worden verricht. In het onderhavige geval heeft appellant betrokkene laten keuren door een arts van het bevoegde Duitse orgaan. De uitkomst van dit onderzoek is neergelegd in een EG-formulier E 213, waaraan als bijlage is toegevoegd een beschrijving van de beperkingen van betrokkene. De Raad concludeert dat op grond van het gemeenschapsrecht, in een situatie als de onderhavige, een arts in het woonland de medische toestand van betrokkene vaststelt. Hiermee zal appellant bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid conform de Nederlandse regelgeving rekening dienen te houden. De opvatting van de rechtbank dat alleen van een zorgvuldig medisch onderzoek sprake kan zijn indien de FML wordt ingevuld door de arts die ook het medisch onderzoek heeft verricht is met dit gemeenschapsrechtelijk stelsel onverenigbaar.

5.4. De rechtbank heeft het bestreden besluit voorts mede vernietigd op de grond dat appellant bij de opstelling van de FML is afgeweken van de in het E 213-formulier neergelegde beperkingen van betrokkene. Namens appellant is als grond tegen dit oordeel van de rechtbank ingebracht dat hij bevoegd is tot een dergelijk afwijken, in zoverre dat de invulling van de FML dient plaats te vinden met inachtneming van de Nederlandse arbeidsongeschiktheidswet- en regelgeving.

Zoals hiervoor is overwogen vloeit uit het bepaalde in artikel 51 van Vo. 574/72 reeds voort dat appellant, als het bevoegde orgaan, de mate van arbeidsongeschiktheid dient te bepalen aan de hand van de Nederlandse wet- en regelgeving. Naar het oordeel van de Raad betoogt appellant niet ten onrechte dat dit laatste betekent dat de uit Duitsland verkregen medische gegevens aan de hand van de Nederlandse regelgeving vertaald moeten worden naar de functiemogelijkheden als bedoeld in de FML. Naar het oordeel van de Raad is door de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker, in de hiervoor genoemde rapportage, afdoende gemotiveerd dat in het onderhavige geval de FML is opgesteld op basis van het medisch onderzoek in Duitsland vertaald naar de Nederlandse wet- en regelgeving inzake arbeidsongeschiktheid. Dat geldt ook voor het aspect ‘wisselende diensten’. De Raad stelt vast dat ook de hier besproken grond slaagt.

5.5. Namens betrokkene is aangevoerd dat appellant hem in de gelegenheid had moeten stellen om gekeurd te worden door een Nederlandse arts. In dat verband is van belang dat het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen (hierna: Hof) in zijn arrest van 10 december 1998, C279/79 (Voeten & Beckers) artikel 51 van Vo. 574/72 zo heeft uitgelegd dat, in geval het gaat om een bestaand uitkeringsrecht in een grenssituatie als het onderhavige, het bevoegde orgaan de administratieve en medische controle van betrokkene niet mag verrichten zonder een voorafgaande controle door het orgaan van de woonplaats te hebben gevraagd. Deze bepaling verzet zich er echter niet tegen dat de betrokkene afziet van de voorafgaande controle door het orgaan van de woonplaats, op voorwaarde dat het daarbij om een vrije en ondubbelzinnige beslissing gaat.

Met betrekking tot dit verweer stelt de Raad vast dat gesteld noch gebleken is dat betrokkene, in de primaire fase van de besluitvorming, te kennen heeft gegeven gekeurd te willen worden door een (verzekerings)arts in Nederland. Van een afstand als bedoeld in het arrest Voeten & Beckers is dan ook geen sprake geweest. De Raad voegt hieraan toe dat de in het kader van de toepassing van artikel 51 van Vo. 574/72 vereiste zorgvuldigheid niet zo ver gaat dat appellant betrokkene op de mogelijkheid van een keuring door het bevoegde Nederlandse orgaan had moeten wijzen (vgl. CRvB

9 september 2005, LJN AU2358). De Raad concludeert dat appellant, gezien het bepaalde in artikel 51 van Vo. 574/72, bevoegd was de keuring te laten uitvoeren door een arts van de woonplaats van betrokkene.

5.6. Het voorgaande kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak nu, ook naar het oordeel van appellant, de rechtbank besluit 1 terecht heeft vernietigd. Appellant heeft dit besluit immers bij besluit 2 ingetrokken en de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per 7 mei 2005 alsnog vastgesteld op 25 tot 35%. De Raad zal, met verbetering van gronden, de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen.

5.7. Ten aanzien van het beroep tegen besluit 2 oordeelt de Raad als volgt.

5.8. De Raad kan zich, in het licht van de beschikbare medische gegevens, vinden in de arbeidsmogelijkheden zoals die zijn vastgesteld door appellant bij de FML van 15 februari 2005 (aangevuld met het punt “tocht” naar aanleiding van de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Jonker). Door of namens betrokkene zijn ook geen medische gegevens in het geding gebracht die de vastgestelde arbeidsmogelijkheden in twijfel stellen. Dat geldt ook voor de afwezigheid van een duurbeperking én de geschiktheid van betrokkene voor functies met wisselende diensten.

De arbeidskundige onderbouwing van besluit 2 is door de bezwaararbeidsdeskundige Saris in een rapportage van 29 november 2006 uitvoerig gemotiveerd. Namens betrokkene is deze motivering niet of nauwelijks bestreden. De Raad ziet dan ook geen grond de arbeidskundige grondslag van besluit 2 voor onjuist te houden.

5.9. De Raad stelt ten slotte vast dat de stelling van betrokkene dat hij niet mocht worden gekeurd aan de hand van het per 1 oktober 2004 in werking getreden Schattingsbesluit geen doel treft, nu betrokkene blijkens de gedingstukken is gekeurd aan de hand van het vóór 1 oktober 2004 geldende Schattingsbesluit.

5.10. De Raad concludeert dat besluit 2 in rechte stand kan houden.

5.11. De Raad is van oordeel dat er grond bestaat om appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322--.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als grifier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) W. Altenaar.

NW