Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
07-6460 WAO + 08-3477 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging besluit 1. Besluit 2: Vaststelling WAO-uitkering op 35 tot 45%. Voldoende medische grondslag. Juistheid vaststelling medische beperkingen in de FML. Voldoende functies die in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. Vergoeding wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Schadevergoeding wegens schending redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6460 WAO

08/3477 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2007, 06/1389 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Simsek, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 juni 2008 heeft appellante een besluit van 21 mei 2008 van het Uwv ingezonden.

Bij brief van 12 maart 2009 heeft het Uwv enkele vragen van de Raad beantwoord en stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009. Namens appellante is verschenen mr. Simsek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met vermelding van het volgende.

1.2. Appellante is op 28 oktober 2003 uitgevallen voor haar werk van verpleegkundige vanwege hartkloppingen, nek- en schouderklachten. Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 26 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het tegen dat besluit op 16 maart 2005 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 30 januari 2006 ongegrond verklaard. Bij besluit op bezwaar van 7 juni 2007 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 maart 2005 alsnog gegrond verklaard en de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 26 oktober 2004 vastgesteld op 35 tot 45%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3.1. Appellante is tegen dit oordeel in hoger beroep gekomen. Zij heeft aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat haar medische beperkingen niet juist zijn vastgesteld. Als gevolg van haar beperkingen is zij niet in staat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen. Zij heeft verder aangevoerd dat gelet op haar klachten het Uwv naar aanleiding van haar ziekmelding per 28 oktober 2003 op grond van artikel 43a van de WAO de verkorte wachttijd van vier weken had moeten hanteren. Zij heeft voorts verzocht het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding vanwege vertraging in de uitbetaling van de WAO-uitkering.

3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep het in rubriek I genoemde besluit van 21 mei 2008 (hierna: bestreden besluit 2) genomen. Bij dat besluit heeft het Uwv alsnog aan appellante met ingang van 25 november 2003 met toepassing van artikel 43a van de WAO en het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Besluit van 8 juli 2000, Stb. 307) een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij dat besluit heeft het Uwv afgewezen het verzoek van appellante om schadevergoeding vanwege schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat naar de mening van appellante een beslissing omtrent de verkorte wachttijd te lang op zich heeft laten wachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het Uwv met bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven dat bestreden besluit 1 wegens een ondeugdelijke grondslag niet kan worden gehandhaafd. Het hoger beroep van appellante slaagt derhalve. De aangevallen uitspraak, waarbij bestreden besluit 1 in stand is gelaten dient, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, in zoverre te worden vernietigd. Bestreden besluit 1 dient eveneens te worden vernietigd.

4.2. Aangezien het Uwv met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet is gekomen aan het beroep van appellante, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.3. Met betrekking tot de medische grondslag van bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt. Zoals ook ter zitting is komen vast te staan zijn de medische beperkingen van appellante vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 december 2005. Deze FML ligt ten grondslag aan bestreden besluit 1 en geldt eveneens voor bestreden besluit 2. De Raad heeft geen redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan, waarop bestreden besluit 2 is gebaseerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft ten behoeve van zijn beoordeling dossieronderzoek verricht vanaf 1997, de klachten geïnventariseerd en de aanwezige informatie van de behandelend sector in zijn beoordeling meegewogen. Deze arts ziet geen fundamentele verandering van de aard van de klachten in de loop der jaren. De gegevens uit het dossier maken voor hem aannemelijk dat er sprake is van een in medisch opzicht stabiele situatie en een ongewijzigde medische belastbaarheid. Vanwege verschil tussen het zogenoemde FIS-systeem en het CBBS-systeem zijn in de vaststelling van de belastbaarheid kleine verschillen waar te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft dienovereenkomstig de FML aangepast. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellante per de datum in geding,

25 november 2003, op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten meer beperkt is dan reeds in de FML is vastgelegd. Daarbij merkt de Raad op dat van de zijde van appellante geen gegevens zijn overgelegd die aan de juistheid van die vaststelling doen twijfelen.

4.4. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft ten behoeve van haar beoordeling zes functies geselecteerd, waarvoor appellante geschikt is te achten. De schatting is gebaseerd op de bovenste drie functies en deze zijn de basis voor het vaststellen van de resterende verdiencapaciteit van appellante op 37,79%. Ter zitting is komen vast te staan dat vanwege de in 4.3 vermelde aanpassing in de FML één functienummer van de functie magazijn, expeditiemedewerker (sbc-code 272043) moet worden geschrapt. Daargelaten de door appellante opgeworpen grief dat om die reden ook de functie productiemedewerker textiel, geen kleding (sbc-code 272043) moet worden geschrapt, is de Raad van oordeel dat uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen, zoals neergelegd in de FML, er voldoende functies resteren die gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt en waarop de mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% kan worden gebaseerd. Gelet op de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 20 mei 2008 is naar het oordeel van de Raad een als genoegzaam aan te merken toelichting gegeven op de passendheid van die (resterende) functies voor appellante.

4.5. Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 25 november 2003 terecht heeft vastgesteld op 35 tot 45%.

5.1. Met het voorgaande is gegeven dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken bestreden besluit 1 schade heeft geleden, verband houdende met vertraagde uitbetaling van de uitkering. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de aan appellante verschuldigde wettelijke rente over die na te betalen uitkering dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995/314.

5.2.1. Appellante heeft haar verzoek gehandhaafd om schadevergoeding omdat het Uwv de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, heeft geschonden vanwege de te late besluitvorming omtrent de verkorte wachttijd. De Raad verstaat deze grief van appellante dat zij meent dat in de onderhavige procedure de redelijke termijn is geschonden vanwege de totale duur van deze procedure.

5.2.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

5.2.3. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 16 maart 2005 tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaren en vier maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv tien en een halve maand geduurd. De Raad stelt vervolgens vast dat geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, nu deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De Raad ziet in de feiten en omstandigheden van dit geval geen aanleiding de redelijke termijn voor de procedure als geheel te stellen op een andere termijn dan vier jaar. Dit betekent dat de redelijke termijn met vier maanden is overschreden. Dat leidt tot een schadevergoeding van € 500,-, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De Raad zal daarom het Uwv, waaraan deze overschrijding moet worden toegerekend, veroordelen tot betaling van dit bedrag aan appellante.

5.3. Uit het onder 5.2.1 tot en met 5.2.3 overwogene volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond is en dat dit besluit dient te worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

5.4. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 2 geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente zoals in rubriek II van deze uitspraak aangegeven;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellante van een schadevergoeding ten bedrage van € 500,-;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en F.A.M. Stroink als leden in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG