Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
07-6617 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling en ontslag. De beoordeling beslaat feitelijk een periode van één maand. De Raad deelt het standpunt van appellante dat dit een te korte periode betreft. Bovendien is het tijdstip waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden, september 2003, niet in overeenstemming met de afspraken.De omstandigheid dat de beoordeling over de periode 15 juli 2003 tot 1 september 2003 geen stand houdt, brengt naar het oordeel van de Raad niet met zich mee dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante ongeschikt is voor haar functie. Op grond van de overige gedingstukken, waaronder de in rechte vaststaande beoordeling over de periode september 2003 tot maart 2004, is voor de Raad voldoende komen vast te staan dat appellantes functioneren niet alleen functie-inhoudelijk, maar ook in houding en gedrag te wensen overliet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6617 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 oktober 2007, 06/6254 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: college)

Datum uitspraak: 16 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en S. van Beek, werkzaam bij de gemeente Arnhem.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is, nadat zij van 1 oktober 2000 tot 1 maart 2002 als stagiaire bij de dienst [naam dienst] van de gemeente Arnhem had gewerkt, met ingang van 1 maart 2002 aangesteld in vaste dienst als [naam functie] bij deze dienst. Zij is toen werkzaam gebleven op de locatie [naam locatie]. Appellante heeft zich op 15 oktober 2002 ziek gemeld. Nadat zij in april 2003 volledig arbeidsgeschikt was verklaard, heeft zij haar werkzaamheden als [naam functie] op 15 juli 2003 hervat bij dezelfde gemeentelijke dienst maar op een andere locatie, namelijk [naam locatie 2].

1.2. Ten aanzien van appellante is over de periode 15 juli 2003 tot 1 september 2003 een beoordeling opgemaakt. De algemene indruk van haar functioneren werd gewaardeerd met score B (functioneert minder dan gemiddeld). Deze beoordeling is op 24 oktober 2005 vastgesteld.

1.3. Appellante is vervolgens over de periode september 2003 tot maart 2004 beoordeeld. Het eindoordeel luidde A/B (functioneert onvoldoende/minder dan gemiddeld). Deze beoordeling is in rechte onaantastbaar geworden.

1.4. Na een incident in maart 2004 tussen appellante en haar leidinggevende is aan appellante het voornemen kenbaar gemaakt haar ontslag te verlenen wegens onbekwaam-heid of ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking, anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij besluit van 26 april 2005 heeft het college uitvoering gegeven aan dit voornemen en aan appellante ontslag verleend per 1 juni 2005.

1.5. Bij besluit van 6 november 2006 (hierna: bestreden besluit) zijn de bezwaren tegen het ontslagbesluit van 26 april 2005 en tegen de beoordeling van 24 oktober 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

4. De beoordeling

4.1. Zoals in 1.2 is aangegeven heeft de in het geding zijnde beoordeling betrekking op de periode 15 juli 2003 tot 1 september 2003. Onweersproken is dat appellante in deze periode wegens vakantie twee weken afwezig is geweest. Dit betekent dat de beoordeling feitelijk een periode van één maand beslaat. De Raad deelt het standpunt van appellante dat dit een te korte periode betreft. Bovendien is het tijdstip waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden, september 2003, niet in overeenstemming met de afspraken zoals neergelegd in de brief van het college aan appellante van 16 juli 2003. Volgens deze brief zouden tijdens appellantes inwerkperiode bij [naam locatie 2], die op 15 juli 2003 startte, verschillende functionerings- en beoordelingsgesprekken met haar worden gevoerd waaronder in het eerste kwartaal van deze periode een functioneringsgesprek en in het tweede kwartaal van die periode een beoordelingsgesprek. De door het college aangegeven reden dat hij reeds in september 2003 een beoordeling heeft opgemaakt om appellante in een vroegtijdig stadium een signaal te geven van zijn zorg over appellantes functioneren en haar een kans heeft willen geven haar functioneren tijdig bij te stellen alvorens de (tweede) inwerkperiode tot een einde zou komen, acht de Raad geen valide reden om af te wijken van de bij brief van 16 juli 2003 gemaakte afspraken.

4.2. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de beoordeling geen stand kan houden en voor vernietiging in aanmerking komt. De aangevallen uitspraak dient in zoverre eveneens te worden vernietigd. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft, ook kleeft aan het besluit van 24 oktober 2005 en dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden zal de Raad dat besluit herroepen.

5. Het ontslag

5.1. Voor de rechterlijke beoordeling van een ontslag als het onderhavige geldt als toetsingskader dat de ongeschiktheid voor de functie moet worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar; hij moet tijdig met zijn tekortkomingen zijn geconfronteerd en in de gelegenheid zijn gesteld om zijn functioneren te verbeteren.

5.2. De omstandigheid dat de beoordeling over de periode 15 juli 2003 tot 1 september 2003 geen stand houdt, brengt naar het oordeel van de Raad niet met zich mee dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante ongeschikt is voor haar functie. Op grond van de overige gedingstukken, waaronder de in rechte vaststaande beoordeling over de periode september 2003 tot maart 2004, is voor de Raad voldoende komen vast te staan dat appellantes functioneren niet alleen functie-inhoudelijk, maar ook in houding en gedrag te wensen overliet. Dat zoals appellante stelt sprake is geweest van slechte werkomstandigheden op de locatie [naam locatie 2], waardoor haar functioneren in negatieve zin is beïnvloed, is de Raad niet gebleken. De Raad merkt hierbij op dat appellante de door haar gestelde slechte werkomstandigheden ook nimmer heeft aangekaart bij haar leidinggevende.

5.3. De Raad kan appellante evenmin volgen in haar stelling dat het college haar niet de kans heeft gegeven te laten zien dat ze wel geschikt was voor de functie van [naam functie]. Appellante is bij haar indiensttreding als [naam functie] gestart met een inwerkprogramma. Appellante heeft zich blijkens een door haarzelf overgelegd stuk in oktober 2002 ziek gemeld vanwege problemen in de werksfeer. Door deze problemen was hervatting van het inwerkprogramma op de oorspronkelijke werkplek niet meer mogelijk. Appellante is in juli 2003 op een andere locatie aan haar tweede inwerkperiode begonnen. Zij kreeg een vaste begeleider toegewezen. Afgesproken werd dat de inwerkperiode op 1 januari 2004 zou worden afgerond. Ondanks dat er wekelijks voortgangsgesprekken met appellante werden gevoerd en alle door haar opgestelde rapportages werden getoetst door een juridisch administratief beslisser bleef appellante onvoldoende functioneren. In januari 2004 werd daarom aan haar meegedeeld dat de inwerkperiode zou worden verlengd tot 1 juli 2004. Appellante heeft zich hiertegen niet verzet. Uit de in 1.3 vermelde beoordeling en de verslagen van de in maart 2004 gehouden voortgangsgesprekken blijkt dat ook nadien van enige verbetering in appellantes functioneren geen sprake was. Gelet hierop en op het incident dat in maart 2004 tussen appellante en haar leidinggevende heeft plaatsgevonden kon het college naar het oordeel van de Raad besluiten de beoordeling in het tweede kwartaal van 2004 niet op te maken en was het college bevoegd om appellante ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziekten of gebreken te verlenen. Dat appellante na haar vertrek bij de gemeente Arnhem elders goed heeft gefunctioneerd als [naam functie] maakt het vorenstaande niet anders, nu dit niets zegt over haar functioneren als [naam functie] bij de gemeente Arnhem.

5.4. Waar de Raad bij het hier aan de orde zijnde ontslag geen op het college uit het zorgvuldigheidsbeginsel voortvloeiende verplichting ziet rusten tot het ondernemen van herplaatsingspogingen, is hij voorts van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om appellante te ontslaan. Hetgeen ten aanzien van het ontslag is overwogen leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor het overige voor bevestiging in aanmerking komt.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het college op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de beoordeling;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voor zover dit betrekking heeft op de beoordeling;

Herroept het primaire besluit van 24 oktober 2005;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.288,-;

Bepaalt dat het college aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 355,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en M.C. Bruning en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2009.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD