Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
30-07-2009
Zaaknummer
07-3050 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondeugdelijke medische grondslag besluit. Uwv heeft de ernst en omvang van de beperkingen van appellante onderschat, zoals deze zijn weergegeven in de FML. Geen overschrijding van de redelijke termijn. Afwijzing Verzoek tot vergoeding van schade. Vernietiging uitspraak. Nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3050 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 april 2007, 06/3499 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.A. van der Made, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft bij brief van 29 mei 2009 een rapport overgelegd van psychiater M. Kazemier van 20 mei 2009. Het Uwv heeft in reactie hierop een rapport van bezwaarverzekeringsarts G.H. Nagtegaal van 8 juni 2009 ingebracht, waarop door psychiater Kazemier is gereageerd bij brief van 11 juni 2009.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2009. Voor appellante is verschenen mr. Van der Made. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is in verband met haar uitval wegens psychische klachten met ingang van 26 januari 1993 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, op louter medische gronden. In verband met haar psychische gezondheidstoestand was appellante van november 1993 tot december 1996 opgenomen in een sanatorium dan wel volgde ze een dagbehandeling. Begin 1998 rapporteerde de verzekeringsarts A.G.M. Klarenbeek naar aanleiding van verkregen informatie van de behandelend psychiater dat sprake is van een ernstig psychiatrisch beeld dat onverenigbaar is met arbeid en waarvan de prognose somber is. Bij vijfdejaarsherbeoordelingen nadien is appellante onveranderd op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht.

1.2. Bij besluit van 20 januari 2006 is in het kader van een herbeoordeling volgens het per 1 oktober 2004 gewijzigde Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2004, 434) de WAO-uitkering van appellante per 17 maart 2006 ingetrokken.

Hieraan ligt ten grondslag een medische beoordeling door de verzekeringsarts R.F. Seleski, die appellante heeft onderzocht en informatie heeft verkregen van de maatschappelijk werkende F. Laghzaoui van 20 december 2005. De verzekeringsarts heeft in verband met een verminderde psychische spankracht beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Met deze beperkingen is appellante geschikt geacht voor het vervullen van functies waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO.

1.3. Appellante heeft tegen het besluit van 20 januari 2006 bezwaar gemaakt. In dat kader heeft de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal reden gezien om in aanvulling op de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen een urenbeperking aan te nemen tot ongeveer 4 uur per dag, ongeveer 20 uur per week. Uitgaande van de aldus aangescherpte belastbaarheid van appellante heeft de bezwaararbeidsdeskundige vastgesteld dat een onvoldoende aantal van de primair geselecteerde functies voorkomt in een omvang die voldoet aan de gestelde urenbeperking. Vervolgens zijn nieuwe functies geselecteerd waarmee appellante een zodanig inkomen kan verwerven dat er een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 39,66%. Vorenstaande heeft geleid tot het besluit van 16 augustus 2006 waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 januari 2006 gegrond is verklaard, de WAO-uitkering van appellante per 17 maart 2006 ongewijzigd is voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer en de WAO-uitkering ingaande 29 juli 2006 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante gericht tegen de verlaging van haar uitkering ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de in het besluit van 16 augustus 2006 genoemde herzieningsdatum 29 juli 2006 een kennelijke misslag betreft en hiervoor gelezen moet worden de datum 29 augustus 2006. Naar het oordeel van de rechtbank berust het herzieningsbesluit van 16 augustus 2006 op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden, subsidiair dat zij ten gevolge van psychische klachten en restless legs meer beperkingen heeft dan opgenomen in de FML en zij medisch niet geschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Ter onderbouwing van de betwisting van de medische grondslag heeft appellante het in rubriek I vermelde rapport van psychiater Kazemier overgelegd. Voorts heeft appellante betoogd dat door toedoen van het Uwv de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden in verband waarmee immateriële schadevergoeding wordt gevorderd.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Wat betreft de medische grondslag ziet de Raad voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de ernst en omvang van de beperkingen van appellante heeft onderschat, zoals deze zijn weergegeven in de FML van 9 mei 2006. De Raad is tot dit oordeel gekomen op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

4.3. Voorafgaand aan de thans voorliggende herbeoordeling is appellante bij alle door het Uwv vanaf 1993 verrichte herbeoordelingen steeds op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht in verband met de gevolgen van, als ernstig geduide, psychiatrische problematiek. De medische grondslag van het besluit van 16 augustus 2006 steunt op de bevindingen van de verzekeringsarts Seleski verkregen bij op 26 oktober 2005 verricht onderzoek, de desgevraagd verkregen informatie van de maatschappelijk werkende Laghzaoui van 20 december 2005 en de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts aldus over onvoldoende gegevens beschikte om op een verantwoorde wijze tot het door hem gegeven oordeel te komen. Gezien de aaneengesloten periode van ruim 13 jaar waarin appellante door het Uwv op medische gronden volledig arbeidsongeschikt is geacht, de ernst van het in het verleden bij appellante vastgestelde psychiatrische beeld en de vaststelling door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 mei 2006 dat nog steeds sprake is van forse psychische afwijkingen, had het Uwv naar het oordeel van de Raad uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding een psychiatrische expertise moeten laten verrichten om voldoende inzicht te krijgen in de psychische gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid op de thans in geding zijnde datum.

4.4. Appellante heeft in hoger beroep een expertiserapport overgelegd van psychiater Kazemier van 20 mei 2009 waarin de resultaten zijn neergelegd van het door hem op 7 april 2009 verrichte onderzoek van appellante. Kazemier heeft geconcludeerd dat appellante lijdt aan een ernstig psychiatrisch ziektebeeld bestaande uit een obsessief compulsieve stoornis in combinatie met een depressie, boulimie, automutilatie en pseudohallucinatoire belevingen. Kazemier acht in verband daarmee de beperkingen als neergelegd in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML van 9 mei 2006 noodzakelijk. In aanvulling hierop acht Kazemier in de rubriek persoonlijk functioneren ook beperkingen nodig op de aspecten concentreren van de aandacht, verdelen van de aandacht, herinneren en doelmatig handelen. Voorts acht Kazemier uit medisch oogpunt een zwaardere urenbeperking nodig, namelijk tot 2 uur per dag, 10 uur per week.

4.5. De Raad hecht doorslaggevende betekenis aan de bevindingen en conclusies van psychiater Kazemier. De Raad is van oordeel dat het door Kazemier verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest. Kazemier heeft een consistent en goed gemotiveerd rapport uitgebracht en heeft, geconfronteerd met de reactie van de bezwaarverzekeringsarts Nagtegaal van 8 juni 2009 op zijn rapport van 20 mei 2009, in zijn schrijven van 11 juni 2009 helder uiteengezet waarom hij zijn standpunten handhaaft. Het Uwv heeft derhalve de op de datum in geding bestaande psychische beperkingen van appellante onderschat. Uitgegaan dient te worden van de door Kazemier gestelde, hiervoor onder overweging 4.4 weergegeven, medische beperkingen.

4.6. Omdat de medische grondslag van het besluit van 16 augustus 2006 niet deugdelijk is, laat de Raad de door appellante geuite grieven tegen de arbeidskundige grondslag van dat besluit verder buiten bespreking.

4.7. Het voorgaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak alsmede het besluit van 16 augustus 2006 strekkende tot herziening van de WAO-uitkering van appellante ingaande 29 augustus 2006 moet worden vernietigd. Het Uwv zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

4.8. De Raad is van oordeel dat het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van artikel 6 van het EVRM, moet worden afgewezen. De termijn is aangevangen op 1 maart 2006, de dag waarop het Uwv appellantes bezwaar tegen het besluit van 20 januari 2006 heeft ontvangen. De Raad doet op 24 juli 2009 in hoger beroep uitspraak, zodat de redelijke termijn van vier jaar voor de totale duur van de procedure niet is overschreden.

4.9. Het verzoek van appellante tot vergoeding van schade bestaande uit wettelijke rente komt naar het oordeel van de Raad niet voor toewijzing in aanmerking omdat thans niet vaststaat of er schade wordt geleden. Het Uwv zal bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar zich tevens dienen uit te laten over het verzoek van appellante tot vergoeding van deze schade.

4.10. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante tot € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 1.019,88 aan – door het Uwv niet bestreden – kosten voor het door psychiater Kazemier uitgebrachte rapport, in totaal derhalve € 2.307,88. Aangezien blijkens de gedingstukken in beroep een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient van dit bedrag € 644,- te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2006 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij de WAO-uitkering van appellante per 29 augustus 2006 is herzien naar 35-45%;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Wijst de vordering tot schadevergoeding af zoals overwogen in 4.8 en 4.9 van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 2.307,88, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, waarvan € 644,-, zijnde proceskosten in beroep, aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.E. van Rooij.

EV