Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
29-07-2009
Zaaknummer
08-456 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling eigen bijdrage verblijf AWBZ-instelling. Naar het oordeel van de Raad kan bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen (...) geen rekening worden gehouden met de door appellant genoemde schuldsaneringsregeling. ten aanzien van de echtgenote van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/456 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 december 2007, 007/913 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

OWM Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar u.a., gevestigd te Tilburg, (hierna: CZ)

en

appellant

Datum uitspraak: 15 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Aarle, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

CZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G. van Ek, kantoorgenoot van mr. van Aarle. CZ is -met voorafgaand bericht- niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1954, is gedurende de periode van 29 augustus 2005 tot en met 30 december 2005 opgenomen geweest in een verpleeginstelling, zijnde een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten

(hierna: AWBZ).

1.2. Bij vonnis van 19 april 2006 heeft de rechtbank te Roermond het op 16 februari 2005 uitgesproken faillissement van de echtgenote van appellant, [naam echtgenote], opgeheven en de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van de echtgenote van appellant uitgesproken.

1.3. Bij besluit van 11 oktober 2006 heeft CZ in verband met het verblijf van appellant in de verpleeginstelling de eigen bijdrage van appellant als bedoeld in het Bijdragebesluit zorg (hierna: het Besluit) definitief vastgesteld op een bedrag van € 475,32 per maand.

1.4. Bij besluit van 15 mei 2007 heeft CZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 oktober 2006 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat het zorgkantoor geen rekening mag houden met de effecten van de schuldsaneringsregeling bij het vaststellen van de eigen bijdrage.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 mei 2007 ongegrond verklaard. Hiertoe is geoordeeld dat CZ toereikend heeft gemotiveerd dat de artikelen 6 en 10 van het Besluit geen mogelijkheid bieden om met de effecten van een schuldsanering rekening te houden. Nu in de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften geen hardheidsclausule is opgenomen, heeft CZ op goede gronden beslist dat er ook anderszins geen ruimte is om de eigen bijdrage in verband met die effecten op een lager bedrag vast te stellen.

3. Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Kort samengevat is aangevoerd dat CZ een lager bijdrageplichtig inkomen als uitgangspunt had moeten nemen bij de berekening van de eigen bijdrage, aangezien in 2005 sprake is geweest van een schuldsaneringsregeling waardoor er feitelijk minder inkomen beschikbaar was dan waarvan het zorgkantoor de berekening van het bijdrageplichtig inkomen is uitgegaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 6, vierde lid, van de AWBZ kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de aanspraak op zorg slechts tot gelding kan worden gebracht indien de verzekerde bijdraagt in de kosten daarvan. De bijdrage kan verschillen naar gelang de groep waartoe de verzekerde behoort en de zorg die verstrekt wordt, en kan mede afhankelijk gesteld worden van het inkomen van de verzekerde en diens echtgenoot.

4.1.2. Op grond van voormelde bepaling is het Besluit vastgesteld.

4.1.3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit draagt de verzekerde van 18 jaren of ouder bij in de kosten van de zorg, verleend door een instelling.

4.1.4. In artikel 14 van het Besluit is bepaald hoeveel de bijdrage voor de gehuwde verzekerde wiens echtgenoot niet verblijft in een instelling, per maand bedraagt.

4.1.5. De hoogte van de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 14 van het Besluit wordt met toepassing van artikel 6 van het Besluit vastgesteld. Artikel 6, eerste lid, van het Besluit bepaalde ten tijde van belang dat het bijdrageplichtig inkomen als volgt wordt berekend:

a. het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde verzekerde onderscheidenlijk de gehuwde verzekerden tezamen wordt verminderd met de door die verzekerde onderscheidenlijk die verzekerden verschuldigde of ingehouden belasting;

b. op het met toepassing van onderdeel a berekende bedrag worden in mindering gebracht:

1º. 15% van de redelijkerwijs te verwachten netto-opbrengst van in het lopende kalenderjaar verrichte arbeid, van een loon- of salarisdoorbetaling wegens ziekte of van een uitkering ingevolge de Ziektewet;

2º. zak- en kleedgeld, premies voor een ziektekostenverzekering, een jonggehandicaptenkorting, een ouderenkorting of extra vrijlatingen, een en ander volgens bij ministeriële regeling te bepalen regels.

4.1.6. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Besluit vindt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, op aanvraag van de verzekerde een voorlopige vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen plaats op basis van het redelijkerwijs gedurende het lopende kalenderjaar te verwachten inkomen en de over dat kalenderjaar te verwachten belasting indien toepassing van artikel 6, eerste lid, onderdeel a, ertoe zou leiden dat na afdracht van de bijdrage maandelijks gemiddeld minder over zou blijven dan het van toepassing zijnde bedrag, vermeld in artikel 23 van de Wet werk en bijstand, zoals dat geldt in het lopende kalenderjaar.

4.2. De vraag die CZ en appellant verdeeld houdt, is of bij het bepalen van de eigen bijdrage op grond van de AWBZ rekening moet worden gehouden met de gevolgen van de toegepaste schuldsaneringsregeling. Het gaat in dit geding om de vraag of de Raad het oordeel van de rechtbank daarover kan volgen.

4.3. Dat is het geval. De Raad zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen en overweegt daartoe het volgende.

4.4. De Raad heeft reeds eerder overwogen (onder andere in zijn uitspraak van 16 april 1999, LJN AA8592) dat de kroon in het Besluit een strak omlijnde en uitputtende regeling heeft gegeven, niet alleen met betrekking tot wat tot het bijdrageplichtig inkomen moet worden gerekend, maar ook met betrekking tot wat daarvan is uitgezonderd dan wel wordt toegestaan als aftrekpost. Naar het oordeel van de Raad kan bij de vaststelling van het bijdrageplichtig inkomen dan ook geen rekening worden gehouden met de door appellant genoemde schuldsaneringsregeling.

4.5. Hetgeen appellant in dit verband met betrekking tot zijn aanvraag op grond van het bepaalde bij en krachtens artikel 10, eerste lid, van het Besluit, naar voren heeft gebracht kan de Raad niet volgen. De Raad is van oordeel dat bij toepassing van artikel 10, eerste lid, van het Besluit schuldsanering geen relevant gegeven is.

4.6. Ten slotte is de Raad niet gebleken dat zich in het onderhavige geval de bijzondere situatie voordoet waarin de toepassing van de hier van belang zijnde dwingendrechtelijke wettelijke voorschriften zozeer in strijd komt met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur of algemeen rechtsbeginsel dat die toepassing om die reden niet kan worden toegelaten.

5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en J.N.A. Bootsma en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) C. de Blaeij.

E.L.S.