Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
06-08-2009
Zaaknummer
09-339 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met nader besluit geheel tegemoet gekomen. Intrekking beroep. Nadien beroep ingesteld tegen de ingangsdatum toekenning WAO-uitkering.

In het beroepschrift is op geen enkele wijze verwezen naar of gerefereerd aan de brief van 3 januari 2008 en de daarin vervatte intrekking. Dit beroepschrift valt dan ook niet te beschouwen als ongedaanmaking van deze intrekking en – anders dan de rechtbank meende – evenmin als verzoek daartoe. Dat laat onverlet dat de rechtbank ambtshalve heeft te beoordelen of het beroep, gelet op de brief van 3 januari 2008, ontvankelijk is. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Van een (verschoonbare) misvatting omtrent de reikwijdte van het besluit van 20 december 2007 is, gelet op de tekst van de brief, geen sprake. Van het ongedaan maken van de intrekking binnen de beroepstermijn is, als aangegeven ook geen sprake en evenmin van de situatie dat appellant in verband met hem niet toe te rekenen omstandigheden in dwaling (of daarmee vergelijkbare omstandigheden) verkeerde omtrent de intrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009, 284

Uitspraak

09/339 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, van 4 december 2008, 08/758 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M.A. Manning, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009. Appellant was in persoon aanwezig bijgestaan door bovengenoemde gemachtigde. Het Uwv is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, werkzaam als automonteur, heeft zich na een ongeval op het werk, per 10 maart 2003 ziek gemeld met rug- en polsklachten. Met ingang van 3 augustus 2004 is hem een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv appellant bij besluit van 7 februari 2006 medegedeeld dat diens mate van arbeidsongeschiktheid per 7 februari 2006 is vastgesteld op – ongewijzigd – 15 tot 25%. Het daartegen ingediende bezwaar is door het Uwv bij besluit van 10 augustus 2006 gegrond verklaard. Het Uwv heeft bij dit besluit het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant verhoogd naar 25 tot 35%.

2. Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van 10 augustus 2006. In het kader van dit beroep heeft de rechtbank [deskundige], psychiater te [plaats], gevraagd van verslag en advies te dienen. Deze deskundige heeft op 10 oktober 2007 rapport uitgebracht dat naar partijen is gezonden. Het Uwv is gelet op de inhoud van dit rapport tot de conclusie gekomen dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. In verband hiermee en gelet op het gegeven dat appellant zich begin januari 2006 (opnieuw) had ziek gemeld, heeft het Uwv bij besluit van 20 december 2007 appellant medegedeeld, dat is besloten zijn WAO-uitkering met ingang van 13 januari 2006, met toepassing van artikel 39a van de WAO, te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3. Vervolgens heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 3 januari 2008 de rechtbank onder meer het volgende bericht: “Bij besluit van 20 december 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen haar beslissing van 7 februari 2006 alsnog gegrond verklaard en besloten dat cliënt met ingang van 13 januari 2006 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt is. (….). Een voortzetting van de procedure is derhalve niet zinvol. Namens cliënt bericht ik u dat hij het beroepschrift wenst in te trekken.”

In deze brief is tevens verzocht om een uitspraak op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), met onder meer veroordeling van het Uwv in de proceskosten en een opdracht tot het vergoeden van het betaalde griffierecht. De rechtbank heeft in een uitspraak van 21 mei 2008 op grond van artikel 8:75a juncto 8:54 van de Awb, 06/7645, vastgesteld dat appellant bij brief van 3 januari 2008 het beroep heeft ingetrokken omdat aan zijn beroep is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb en heeft het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten (waaronder medische kosten) en tot het vergoeden van het betaalde griffierecht.

4. Op 30 januari 2008 is namens appellant beroep ingesteld tegen het besluit van 20 december 2007. Daarbij is met name gesteld dat appellant meent, dat uit het rapport van de psychiater Thomassen volgt dat hij (veel) eerder volledig arbeidsongeschikt is geworden dan de door het Uwv in aanmerking genomen datum van 13 januari 2006.

5. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst opgemerkt, dat het haar niet vrijstaat om al dan niet de werking van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb in te roepen. Het beroepschrift van 30 januari 2008 kan, volgens de rechtbank, in het licht van de eerdere intrekking van het beroep niet anders worden begrepen dan als een verzoek om terug te (mogen) komen van de eerdere intrekking. Een dergelijk verzoek kan slechts in een geval als het onderhavige gehonoreerd worden indien sprake is van een niet-verwijtbare misvatting omtrent de reikwijdte van het besluit, waartegen het beroep dat is ingetrokken zich richtte. Daarvan is echter gelet op de bewoordingen van de brief van 3 januari 2008 geen sprake, zodat een niet- ontvankelijkverklaring op haar plaats is.

6. Namens appellant is in hoger beroep met name gesteld, dat de regeling van artikel 6:19 van de Awb er (slechts) toe strekt dat de burger niet gedwongen is om steeds afzonderlijk bezwaar te maken of beroep in te stellen tegen in de loop van een procedure genomen vervolgbesluiten en dat daarbij de rechtsbeschermingsgedachte voorop staat.

7.1. De Raad oordeelt als volgt.

7.2. De Raad stelt voorop dat de hiervoor geciteerde zinsneden uit de brief van 3 januari 2008 op zich een onvoorwaardelijke intrekking van het beroep inhouden, waarbij zowel is gerefereerd aan de volledige arbeidsongeschiktheid als aan de in het besluit van 20 december 2007 opgenomen datum van 13 januari 2006. Vervolgens heeft, als aangegeven, de gemachtigde van appellant (zelfstandig) beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit.

7.3. Gelet op de in dit beroep betrokken stelling dat appellant (veel) eerder arbeidsongeschikt is geworden dan per 13 januari 2006, moet worden geconstateerd, dat met het besluit van 20 december 2007 niet geheel aan het bezwaar respectievelijk beroep van appellant tegemoet is gekomen. De rechtbank heeft dan ook met recht, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid van de Awb, het beroep mede gericht geacht tegen dit besluit, dat als een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Awb is aan te merken.

7.4. De Raad merkt op dat artikel 6:19 van de Awb op zich niet in de weg staat aan het – binnen de beroepstermijn– (zelfstandig) instellen van beroep tegen het besluit, waartegen het beroep met toepassing van dit artikel mede gericht wordt geacht. Dit ligt echter anders indien het beroep tegen dat besluit voordien bevoegd en onvoorwaardelijk is ingetrokken. De brief van 3 januari 2008 valt naar het oordeel van de Raad bezwaarlijk anders dan als een dergelijke intrekking te lezen. In het beroepschrift van 30 januari 2008 is op geen enkele wijze verwezen naar of gerefereerd aan de brief van 3 januari 2008 en de daarin vervatte intrekking. Dit beroepschrift valt dan ook niet te beschouwen als ongedaanmaking van deze intrekking en – anders dan de rechtbank meende – evenmin als verzoek daartoe. Dat laat onverlet dat de rechtbank ambtshalve heeft te beoordelen of het beroep, gelet op de brief van 3 januari 2008, ontvankelijk is.

7.5. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank op dit punt. Van een (verschoonbare) misvatting omtrent de reikwijdte van het besluit van 20 december 2007 is, gelet op de tekst van laatstgenoemde brief, geen sprake. Van het ongedaan maken van de intrekking binnen de beroepstermijn is, als aangegeven ook geen sprake en evenmin van de situatie dat appellant in verband met hem niet toe te rekenen omstandigheden in dwaling (of daarmee vergelijkbare omstandigheden) verkeerde omtrent de intrekking.

7.6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.

(get.) J. Riphagen.

(get.) I.R.A. van Raaij.

CVG