Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3911

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
08-1693 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft aangevoerd, geen grond is te vinden om de rechtbank in haar oordeel niet te volgen. Zorgvuldig medisch onderzoek. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vastgestelde beperkingen van appellante. Geen aanleiding een medisch deskundige te benoemen. De Raad is niet gebleken dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten. Met betrekking tot de gestelde schending van artikel 1, Eerste Protocol, behorend bij het EVRM, verwijst de Raad naar de overwegingen in zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN BD8561).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1693 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 februari 2008, 07/1266 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. De Leest. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 15 mei 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2 juli 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Namens appellante heeft haar gemachtigde mr. De Leest tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 februari 2007 heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 15 mei 2006 herroepen en de uitkering per 2 juli 2006 herzien en berekend naar de klasse 45 tot 55%.

2. Tegen het besluit van 13 februari 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft appellante beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de medische beperkingen van appellante niet zijn onderschat en dat haar belastbaarheid in de geduide functies niet wordt overschreden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten 2004 niet in strijd is met artikel 1, Eerste Protocol, behorend bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar medische beperkingen op het gebied van het persoonlijk functioneren zijn onderschat. Verder heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien waarom in het verleden wel een urenbeperking is aangenomen en thans niet meer, terwijl haar medische gesteldheid alleen maar is verslechterd. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar de reeds in beroep overgelegde rapportage van gezondheidszorgpsycholoog drs. J.F.L.M. van Kemenade van 29 juni 2007. Gelet op het verschil van inzicht tussen de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv en Van Kemenade had de rechtbank een deskundige moeten benoemen om de medische beperkingen vast te stellen, aldus appellante. Ter zitting heeft appellante desgevraagd meegedeeld dat zij geen nadere reactie wenst te geven op het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts over de door haar in beroep overgelegde brief van prof dr. H. Kingma van 8 oktober 2007. Wat betreft het beroep op artikel 1, Eerste Protocol, behorend bij het EVRM heeft appellante zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad is van oordeel dat in hetgeen appellante in hoger beroep ter zake van de medische grondslag heeft aangevoerd, geen grond is te vinden om de rechtbank in haar oordeel niet te volgen. Evenmin als de rechtbank heeft de Raad reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek van het Uwv en de juistheid van de conclusies ervan. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de vastgestelde beperkingen van appellante ten tijde hier in geding. Naar aanleiding van het beroep van appellante op de rapportage van Van Kemenade, die op grond van neuropsychologisch onderzoek concludeerde tot een urenbeperking in verband met het vermogen van appellante om zich te concentreren en taken uit te voeren waarbij gelijktijdig een beroep wordt gedaan op snelheid, geheugen en accuratesse overweegt de Raad als volgt. De bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben heeft in de rapportage van 24 januari 2007 onder meer gesteld dat er discrete geheugenstoornissen en discrete aandachtsproblemen zijn die beide echter onvoldoende zijn om in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op beide aspecten een “niet normaal” in te vullen. De geheugenfuncties en de aandachtsfuncties zouden volgens de bezwaarverzekeringsarts nog zeker in het normale gebied als bedoeld in de FML vallen. Als reactie op het rapport van Van Kemenade heeft de bezwaarverzekeringsarts op 14 november 2007 geconcludeerd dat de bevindingen van Van Kemenade in lijn zijn met de uitgangspunten welke door de verzekeringsarts van het Uwv zijn aangenomen. Appellante zal in functies welke wel concentratie vergen een tempoachterstand hebben. De FML is vervolgens op een aantal aspecten aangepast. Zo is er aangegeven dat appellant wat hoge concentratie betreft zich maximaal een half uur kan concentreren op een informatiebron en zij, alleen bij veel prikkels tegelijk, beperkt wordt geacht op het verdelen van de aandacht. De Raad is gelet op het vorenstaande van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de bevindingen van Van Kemenade met betrekking tot de beperkingen op het gebied van het persoonlijk functioneren niet op juiste wijze hun neerslag hebben gevonden in de FML. De Raad ziet in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanleiding voor de juistheid van de opvatting van appellante dat haar beperkingen op het gebied van het persoonlijk functioneren, alsook op de overige gebieden, door de (bezwaar)verzekeringsartsen onjuist zijn beoordeeld.

4.2. Wat betreft de stelling van appellante dat niet valt in te zien waarom het Uwv niet langer een urenbeperking heeft aangenomen overweegt de Raad, dat het feit dat in het verleden ten aanzien van appellante een urenbeperking is aangenomen niet met zich brengt dat het Uwv daaraan ook voor de toekomst is gebonden. Het gaat immers om de beoordeling van de mogelijkheden van appellante per de in geding zijnde datum van

2 juli 2006. Voorts is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 14 november 2007, door eventuele energetische en preventieve gronden in zijn beoordeling te betrekken, voldoende heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet is aangewezen.

4.3. In het oordeel van de Raad dat de medische grondslag van het bestreden besluit kan worden onderschreven ligt besloten dat de rechtbank geen aanleiding had hoeven zien een medisch deskundige te benoemen.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen is de Raad niet gebleken dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten. Evenals de rechtbank acht de Raad de passendheid van de functies met de zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapportages voldoende toegelicht. Daarbij verwijst de Raad in het bijzonder naar de rapportage van 20 november 2007, blijkens welke door de bezwaararbeidsdeskundige overleg is gepleegd met de bezwaarverzekeringsarts over de belasting in de geduide functies, met name op het gebied van concentratie, verdelen van de aandacht en prikkelverwerking.

5. Met betrekking tot de gestelde schending van artikel 1, Eerste Protocol, behorend bij het EVRM, verwijst de Raad naar de overwegingen in zijn uitspraak van 10 juli 2008 (LJN BD8561). Appellante heeft in dit verband geen nieuwe feiten, omstandigheden of argumenten naar voren gebracht die tot een ander oordeel dienen te leiden.

6. Gelet op het bovenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en H. Bedee en P.J. Jansen als leden in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2009.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) T.J. van der Torn.

KR