Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
07-6087 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat aan het besluit een zorgvuldige medische voorbereiding ten grondslag ligt. De psychische gezondheidstoestand van appellante is verbeterd ten opzichte van het verleden. De Raad heeft geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. De Raad stelt vast dat de schatting is gebaseerd op de functies verkoper groothandel (Sbc-code 317012), administratief medewerker (Sbc-code 315090) en produktiemedewerker confectie, kleermaken (Sbc-code 272042). De functies in de FML en neergelegde belastbaarheid van appellante wordt niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6087 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 oktober 2007, 07/1140 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2009. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. F. van Dam.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is in verband met psychische klachten vanaf 9 maart 2000 een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

1.2. Bij besluit van 18 september 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 19 november 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

1.3. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 18 september 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 12 april 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, aangevoerd dat het medisch onderzoek van het Uwv onzorgvuldig en onvolledig is, haar medische beperkingen ten gevolge van psychische klachten en narcolepsie zijn onderschat en zij medisch niet geschikt is voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Appellante heeft bij brief van 10 juni 2009, bij de Raad ontvangen op 12 juni 2009, verzocht om uitstel van behandeling van de zaak ter zitting. De Raad ziet gezien het stadium waarin dit verzoek is gedaan in relatie tot de opgegeven reden, te weten de omstandigheid dat zij bezig is met een wisseling van advocaat, geen aanleiding het verzoek van appellante in te willigen. De Raad heeft in zijn afweging betrokken dat mr. Van Ham reeds bij brief van 16 maart 2009 de Raad heeft meegedeeld dat hij appellante niet langer zal bijstaan.

4.2. De Raad is van oordeel dat aan het besluit van 12 april 2007 een zorgvuldige medische voorbereiding ten grondslag ligt. De Raad overweegt hiertoe dat appellante is gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts E.M. Wielaard en het rapport van de verzekeringsarts van een uitgebreid onderzoek naar de klachten en beperkingen van appellante getuigt. De bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft voorts de bevindingen op de hoorzitting alsmede de desgevraagd verkregen informatie van de behandelend psycholoog/psychotherapeute L.A.M. Nys van 28 februari 2007 in de oordeelsvorming in bezwaar betrokken. De bezwaarverzekeringsarts kon aldus op grond van de hem ter beschikking staande gegevens tot een verantwoorde oordeelsvorming komen.

4.3. De Raad ziet voorts geen objectief medische aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de aard, ernst en omvang van de beperkingen van appellante heeft onderschat, zoals deze zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 26 maart 2007. De Raad is van oordeel dat het standpunt van het Uwv dat de psychische gezondheidstoestand van appellante op de hier in geding zijnde datum is verbeterd ten opzichte van het verleden genoegzaam wordt ondersteund door de informatie van de behandelend psycholoog/psychotherapeute Nys van 28 februari 2007 bezien in samenhang met appellantes verklaringen op het spreekuur van de verzekeringsarts en ten overstaan van de bezwaarverzekeringsarts op de hoorzitting. De Raad kan zich voorts vinden in de visie van de bezwaarverzekeringsarts Admiraal als neergelegd in de rapportage van 30 november 2007 dat niet van doorslaggevend belang is of de bij appellante geconstateerde diagnose PTSS wel of niet deels in remissie is, maar dat het gaat om de vaststelling van de beperkingen die appellante als gevolg van de diagnose PTSS ondervindt. De Raad heeft voorts in de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van neuroloog M.G. Smits van 28 augustus 2007 geen objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat appellantes beperkingen ten gevolge van de ziekte narcolepsie zijn onderschat. In de brief van Smits worden geen bevindingen beschreven die zijn toegespitst op de gezondheidstoestand van appellante doch wordt slechts in algemene termen gesproken over mogelijke gevolgen van de ziekte narcolepsie. De Raad heeft evenmin in de door appellante bij schrijven van 10 juni 2009 overgelegde gegevens objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van appellante zijn onderschat.

4.4. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het besluit van 12 april 2007 stelt de Raad vast dat de schatting is gebaseerd op de functies verkoper groothandel (Sbc-code 317012), administratief medewerker (Sbc-code 315090) en produktiemedewerker confectie, kleermaken (Sbc-code 272042). De Raad is van oordeel dat het Uwv reeds met de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 4 april 2007 inzichtelijk en toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de grenzen van de vastgestelde, en hiervoor niet onjuist bevonden, FML niet te buiten gaan. Naar aanleiding van de ter zitting bij de rechtbank geuite grieven van medische aard tegen de functies is in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Stroband van 5 december 2007 nog nader uiteengezet dat in de functies de in de FML neergelegde belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden. Appellante moet dan ook medisch gezien in staat worden geacht tot het verrichten van de aan die functies verbonden werkzaamheden.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.6. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2009.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.E. van Rooij.

EV