Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3877

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
28-07-2009
Zaaknummer
08-2593 WWB + 08-2594 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, herziening en terugvordering bijstand. Overschrijden vermogensgrens. Bezit onroerend goed in buitenland. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat ten tijde in geding dit appartementencomplex in mede-eigendom toebehoorde aan zijn kinderen. Appellant heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Uit de door appellant aan het College verstrekte akte van overdracht blijkt bovendien dat hij op 31 december 2007 het volle eigendom heeft overgedragen aan zijn kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2593 WWB

08/2594 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 1 april 2008, 07/474 en 06/6900 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2009. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Tang Yuk, werkzaam bij de gemeente Leiden.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontving sedert 2 juli 1999 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Naar aanleiding van een tip omtrent het vermoedelijk bezit van appellant van onroerend goed in Marokko is door de sociale recherche Zuid-Holland Noord (hierna: sociale recherche) een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. In verband hiermee is appellant in mei 2002 gehoord.

Uit dit verhoor is naar voren gekomen dat appellant in het bezit is van een woning aan de [adres 1] (hierna: de woning). Aangezien er twijfels bestonden over de door appellant opgegeven waarde van deze woning is door de sociale recherche besloten tot het doen verrichten van een vermogensonderzoek in Marokko. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Rabat van 12 mei 2003 en meegenomen in een rapport van de sociale recherche van 13 januari 2005 (lees: 2006). Uit die rapporten komt naar voren dat appellant niet alleen eigenaar is van de hiervoor vermelde woning maar blijkens kadastrale gegevens tevens - sedert 1996 - ingeschreven staat als eigenaar van een appartementencomplex op de hoek van [adres 2] en [adres 3] met de naam [naam appartementencomplex] (hierna: het appartementencomplex). Bij het rapport van 13 januari 2005 is een taxatierapport gevoegd, waarin de waarde van het appartementencomplex in 1996 is geschat op MAD 1.580.000,-- (€ 139.440,44) en in mei 2003 op MAD 1.738.000,-- (€ 190.919,30).

1.4. De resultaten van het onderzoek zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 20 januari 2006 de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2006 in te trekken. De onderzoeksresultaten zijn voor het College voorts aanleiding geweest om bij besluit van 24 februari 2006 de bijstand over de periode van 2 juli 1999 tot en met 31 december 2005 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode gemaakte kosten van algemene bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 122.822,22 en van bijzondere bijstand tot een bedrag van € 2.727,66.

1.5. Bij besluiten van 20 juni 2006 en 5 december 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 20 januari 2006 respectievelijk 24 februari 2006 ongegrond verklaard. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellant in de periode vanaf 1 januari 2006, respectievelijk over de periode van 2 juli 1999 tot en met 31 december 2005, over een vermogen beschikt dat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen overschrijdt en dat hij dit vermogen voor het College heeft verzwegen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 20 juni 2006 en 5 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat het College bij het besluit van 20 januari 2006 de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad - zie onder meer de uitspraak van 18 juli 2006 (LJN AY5142) - bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit.

In aanmerking genomen dat het College de bijstand tevens heeft ingetrokken over de periode van 2 juli 1999 tot en met 31 december 2005 betekent het voorgaande dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 2 juli 1999 tot en met 20 januari 2006.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad rechtvaardigt het feit dat onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een uitkeringsgerechtigde staan geregistreerd de vooronderstelling dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover deze beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3. Vaststaat dat appellant in het bezit is van de woning, en daarnaast vanaf 1996 geregistreerd staat als enig eigenaar van het appartementencomplex [naam appartementencomplex]. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat ten tijde in geding dit appartementencomplex in mede-eigendom toebehoorde aan zijn kinderen.

Appellant heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Uit de door appellant aan het College verstrekte akte van overdracht blijkt bovendien dat hij op 31 december 2007 het volle eigendom heeft overgedragen aan zijn kinderen.

4.4. De Raad is voorts met het College van oordeel dat uit de ter beschikking staande stukken voldoende is gebleken dat appellant gedurende de gehele te beoordelen periode beschikte over vermogen dat lag boven de in die periode toepasselijke vermogensgrens, zodat daarin een beletsel voor bijstandsverlening is gelegen.

4.5. Nu appellant van de woning en het appartementencomplex bij het College geen melding heeft gemaakt, heeft hij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet en artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende

inlichtingenverplichting geschonden. Naar het oordeel van de Raad was het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellant over de periode van 2 juli 1999 tot en met 31 december 2005 en vanaf 1 januari 2006 in te trekken en het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met zijn beleid inzake intrekking en terugvordering. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College in afwijking van dat beleid met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht geheel of gedeeltelijk van intrekking en terugvordering had behoren af te zien.

4.6. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

E.L.S.