Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3657

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
07-6427 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekkking en terugvordering bijstand over de periode van 21 september 2006 tot en met 2 november 2006. De Raad is van oordeel dat er sprake was van een professionele hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting. De Raad ziet geen bijzondere omstandigheden met betrekking tot de psychische klachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6427 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 oktober 2007, 07/1701 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 april 2009. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 2 november 2006 is door de Politie Midden en West Brabant/ Team Tilburg Binnenstad naar aanleiding van een op 2 oktober 2006 ontvangen tip in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Tegenover de politie heeft appellant verklaard dat hij ongeveer zes weken geleden met de kwekerij is begonnen, dat er in zijn woning 280 hennepplanten aanwezig zijn, alsmede 34 assimilatielampen.

1.3. De politie heeft het College van een en ander op de hoogte gesteld. Vervolgens heeft de sociale recherche, van deze gegevens gebruikmakend, appellant op 5 december 2006 gehoord en op dezelfde dag een rapport opgemaakt.

1.4. Voor het College vormden de in dat rapport neergelegde bevindingen aanleiding om bij besluit van 5 december 2006 de bijstand van appellant over de periode van 21 september 2006 tot en met 2 november 2006 in te trekken. Daarbij is overwogen dat als gevolg van de schending van de op appellant rustende inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Tevens zijn de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 1.183,74 van appellant teruggevorderd.

1.5. Bij besluit van 1 maart 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 december 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 maart 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Vaststaat dat ten tijde van de politie-inval op 2 november 2006 in de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. Gelet op de omvang van de kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat er sprake was van een professionele kwekerij.

4.2. Vaststaat voorts dat appellant het opstarten en het exploiteren van deze kwekerij niet bij het College heeft gemeld.

4.3. De Raad deelt niet de opvatting van appellant dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is nu er, zoals wordt aangevoerd, uit de kwekerij geen inkomsten zijn ontvangen. Appellant heeft in dit verband gesteld dat hij is bedreigd door een vijftal mannen, en dat zijn bedreigers de inkomsten van de hennepoogst zouden incasseren. De Raad volgt appellant hierin niet. Appellant heeft zijn stelling op geen enkele wijze met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Zo heeft appellant bijvoorbeeld geen aangifte van de gestelde bedreiging gedaan. Verder heeft appellant tegenover de politie verklaard dat hij met de opbrengst van de hennepkwekerij zijn schulden wilde aflossen. De stelling van appellant dat hij geen inkomsten uit de kwekerij heeft genoten acht de Raad in de gegeven omstandigheden dan ook ontoereikend. Daarbij komt nog dat ook de werkzaamheden gericht op het starten van een hennepkwekerij, met een omvang als hier aangetroffen, alsmede het in bedrijf hebben ervan, moet worden aangemerkt als een omstandigheid die van belang is voor de verlening van bijstand, ongeacht of daaruit al inkomen wordt ontvangen.

4.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft het College zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant over de periode van 21 september 2006 tot en met 2 november 2006 werkzaamheden heeft verricht in verband met de exploitatie van een hennepkwekerij. Door geen melding te maken van deze, onmiskenbaar op geld waardeerbare werkzaamheden heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand over de hier aan de orde zijnde periode niet kan worden vastgesteld. Hierin ligt besloten dat appellant met betrekking tot die periode geen recht op bijstand had.

4.5. Het College was dan ook bevoegd om over die periode tot intrekking van de bijstand over te gaan. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Hieruit volgt dat het College bevoegd was om tot terugvordering van appellant van de over de periode van 21 september 2006 tot en met 2 november 2006 gemaakte kosten van bijstand. Het College voert het beleid (voor zover in dit geding van belang) dat in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand wordt overgegaan. Daarvan wordt afgezien indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 100,-- of wanneer daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellant met betrekking tot zijn psychische klachten heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

EK