Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
08-19 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beeindiging vrijwillige verzekering ingevolge de ZW. Het Uwv heeft geweigerd de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht te beëindigen en tot premierestitutie over te gaan, omdat het Uwv tot aan de datum van de schriftelijke opzegging risico heeft gelopen. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat niet gebleken is van nalatigheid of onzorgvuldigheid aan de zijde van het Uwv. De Raad is van oordeel dat niet gesteld kan worden dat het Uwv is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting jegens appellant. De Raad kan zich niet verenigen met het betoog van appellant dat van het Uwv een nog verdergaande informatieverstrekking verlangd had mogen worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/19 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 november 2007, 07/509 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 9 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft M.J. van Drimmelen-de Wolde, als adviseur sociale verzekeringen verbonden aan Procount-LTB Adviseurs & Accountants, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 juni 2009, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant is sinds 20 december 1982 directeur-grootaandeelhouder van [naam Holding].

1.3. Bij besluit van 3 februari 1989 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv appellant naar aanleiding van zijn aanmelding met ingang van 1 januari 1989 opgenomen in (onder andere) de vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 64 van de Ziektewet (ZW).

1.4. Bij brief van 24 augustus 2006 heeft appellant het Uwv verzocht de vrijwillige verzekering ingevolge de ZW te beëindigen en de vanaf 1 maart 1996 betaalde premie te restitueren. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat sinds de invoering van de Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) de Holding als werkgever verplicht is bij ziekte zijn loon door te betalen, zodat appellant nooit recht zou kunnen hebben op een uitkering ingevolge de ZW.

1.5. Bij besluit van 20 september 2006 heeft het Uwv de vrijwillige verzekering ingevolge de ZW beëindigd per 24 augustus 2006. Het Uwv heeft daarbij geweigerd de vrijwillige verzekering met terugwerkende kracht te beëindigen en tot premierestitutie over te gaan, omdat het Uwv tot aan de datum van de schriftelijke opzegging risico heeft gelopen.

1.6. Bij besluit van 2 januari 2007 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant daarbij gewezen op brieven van 31 januari 1996 en 1 mei 1996, waarin het Uwv alle vrijwillig verzekerden heeft gewezen op de gevolgen van de inwerkingtreding van de Wulbz per 1 maart 1996.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 2 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 67a, aanhef en onder a, van de ZW wordt de vrijwillige verzekering beëindigd op verzoek van de vrijwillig verzekerde met ingang van een door hem te bepalen datum.

4.2. Met betrekking tot de toepassing van deze bepaling hanteert het Uwv - evenals met betrekking tot beëindiging van de verplichte verzekering - de gedragslijn dat deze verzekering gelet op het gelopen risico behoudens bijzondere omstandigheden slechts per een toekomende datum wordt beëindigd. Naar vaste rechtspraak van de Raad wordt deze gedragslijn aanvaardbaar geacht.

4.3. De vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het Uwv in afwijking van deze gedragslijn met terugwerkende kracht tot 1 maart 1996 tot beëindiging van de vrijwillige verzekering en premierestitutie had moeten overgaan beantwoordt de Raad ontkennend. Dat het Uwv gelet op de Wulbz geen risico meer zou lopen kan, nog daargelaten of deze stelling juist is, naar het oordeel van de Raad niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

4.4. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat niet gebleken is van nalatigheid of onzorgvuldigheid aan de zijde van het Uwv die een beëindiging met terugwerkende kracht zou kunnen rechtvaardigen. De Raad is in dit kader van oordeel dat niet gesteld kan worden dat het Uwv is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting jegens appellant. De Raad wijst in dit verband op de door het Uwv verstuurde brieven van 31 januari 1996 en 1 mei 1996, waarvan appellant de ontvangst niet ontkend heeft. In deze brieven heeft het Uwv de vrijwillig verzekerden uitdrukkelijk gewezen op de gevolgen van de inwerkingtreding van de Wulbz voor de vrijwillige verzekering ingevolge de ZW en heeft het Uwv de vrijwillig verzekerden tevens (dringend) geadviseerd de vrijwillige verzekering ingevolge de ZW te beëindigen. Dat appellant dit advies niet heeft opgevolgd dient naar het oordeel van de Raad voor zijn rekening en risico te komen. De Raad kan zich niet verenigen met het betoog van appellant dat van het Uwv een nog verdergaande informatieverstrekking verlangd had mogen worden.

4.5. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.

DW