Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
08-126 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reorganisatieontslag. Herroepen ontslagbesluit. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het Sociaal Statuut blijkt dat de medewerker schriftelijk in kennis moet worden gesteld van een herplaatsingsbesluit, voordat tot een reorganisatieontslag kan worden overgegaan. Ook deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellanten de verzending op 9 maart 2004 van het besluit van 16 oktober 2003 allerminst aannemelijk hebben gemaakt. Geen verzending van een definitief herplaatsingsbesluit van betrokkene. De Raad volgt appellanten daarom niet in hun primaire beroepsgrond. Met betrekking tot de subsidiaire beroepsgrond overweegt de Raad dat de gespreksverslagen die op verschillende momenten zijn opgemaakt, niet op één lijn kunnen worden gesteld met een definitief herplaatsingsbesluit. Het verslag van het plaatsingsgesprek bij de plaatsingscommissie kan niet als een besluit worden aangemerkt, te meer daar appellanten als bevoegd orgaan niet bij dat gesprek aanwezig waren en het personeelsplan op die datum nog niet definitief was vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/126 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 26 november 2007, 06/2350 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

appellanten

Datum uitspraak: 9 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2009. Namens appellanten is verschenen mr. J.W.A. Hakkert, werkzaam bij de provincie Utrecht. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J. Jaab, advocaat te Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was vanaf 2 februari 1979 werkzaam bij de provincie Utrecht, laatstelijk in de functie van administratie specialist bij de sector [naam sector]. In verband met bezuinigingen is besloten de formatie van de [sector] te verminderen. Op deze reorganisatie was het Sociaal Statuut provincie Utrecht (hierna: Sociaal Statuut) van toepassing op grond waarvan onder meer een personeelsplan moest worden vastgesteld.

1.2. Appellanten hebben betrokkene in een brief van 16 oktober 2003 (met het onderwerp: voorlopige plaatsing) het voornemen meegedeeld om haar aan te wijzen als herplaatsingskandidaat.

1.3. Appellanten hebben op 23 november 2003 het personeelsplan definitief vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 31 oktober 2005 hebben appellanten aan betrokkene per 1 februari 2006 ontslag verleend wegens reorganisatie op grond van artikel B9, aanhef en onder d, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP). Bij het bestreden besluit van 30 mei 2006 is dit ontslagbesluit, na door betrokkene gemaakt bezwaar, gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Verder heeft de rechtbank het primaire besluit van 31 oktober 2005 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank, kort weergegeven, het volgende overwogen. Uit het Sociaal Statuut moet worden afgeleid dat voordat tot een reorganisatieontslag kan worden overgegaan, de betrokken medewerker schriftelijk in kennis moet worden gesteld van het herplaatsingsbesluit. Niet is echter gebleken van een aan betrokkene verzonden herplaatsingsbesluit. Hierdoor komt aan het reorganisatie-ontslag de grondslag te ontvallen.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Appellanten stellen zich in hoger beroep primair op het standpunt dat een besluit betrokkene aan te merken als herplaatsingskandidaat dat is gedateerd op 16 oktober 2003, op 9 maart 2004 naar betrokkene is verzonden. Deze verzenddatum blijkt uit de registratuur van appellanten. Subsidiair stellen appellanten zich op het standpunt dat aan betrokkene ook op andere wijze voldoende is kenbaar gemaakt dat ze tot herplaatsings-kandidaat is benoemd. Dit blijkt uit diverse gespreksverslagen. Betrokkene heeft meerdere malen de gelegenheid gehad om haar bezwaren met betrekking tot de benoeming tot herplaatsingskandidaat kenbaar te maken. Na de brief waarin aan betrokkene het voornemen is gemeld om haar als herplaatsingskandidaat te beschouwen, zijn er diverse momenten geweest waarop betrokkene op het ontbreken van een definitief besluit had kunnen wijzen.

3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het Sociaal Statuut blijkt dat de medewerker schriftelijk in kennis moet worden gesteld van een herplaatsingsbesluit, voordat tot een reorganisatieontslag kan worden overgegaan. Ook deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellanten de verzending op 9 maart 2004 van het besluit van 16 oktober 2003 allerminst aannemelijk hebben gemaakt. Uit het door appellanten overgelegde gedeelte van de registratuur blijkt alleen van verzending op 9 maart 2004 van een brief aan alle medewerkers over hun voorlopige plaatsing; op geen enkele manier blijkt daaruit van verzending op die datum van een definitief herplaatsingsbesluit van betrokkene. De Raad volgt appellanten daarom niet in hun primaire beroepsgrond.

3.3. Met betrekking tot de subsidiaire beroepsgrond overweegt de Raad dat de gespreksverslagen die op verschillende momenten zijn opgemaakt, niet op één lijn kunnen worden gesteld met een definitief herplaatsingsbesluit. Geen van deze verslagen is opgebouwd als een besluit. Ze bevatten dan ook terecht niet een bezwarenclausule. De gemachtigde van appellanten heeft desgevraagd meegedeeld dat betrokkene bezwaar had moeten maken na het plaatsingsgesprek bij de plaatsingscommissie van 7 oktober 2003. De Raad kan appellanten hierin niet volgen. Het verslag van dit gesprek kan niet als een besluit worden aangemerkt, te meer daar appellanten als bevoegd orgaan niet bij dat gesprek aanwezig waren en het personeelsplan op die datum nog niet definitief was vastgesteld. Voor betrokkene kon gelet op het ontbreken van een definitief herplaatsingsbesluit niet duidelijk zijn dat zij een bezwaarschrift had moeten indienen. Zij heeft overigens gedurende de gehele periode duidelijk kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met het standpunt van appellanten dat haar functie was vervallen en dat zij om die reden als herplaatsingskandidaat moet worden beschouwd.

3.4. Ten slotte volgt de Raad de rechtbank in haar oordeel dat het primaire besluit van 31 oktober 2005 voor herroeping in aanmerking komt.

3.5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellanten niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

4. De Raad acht termen aanwezig appellanten te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep ten bedrage van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellanten in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-;

Bepaalt dat van appellanten een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD