Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3302

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
09-2395 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Reorganisatie. Geen voldoende mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak niet in stand blijft. De voorzieningenrechter ziet geen grond om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen. De grief van verzoeker dat de rechtbank de door betrokkene in beroep overgelegde stukken buiten beschouwing had moeten laten slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 18 februari 2004, LJN AO5861 en RSV 2004/202), staat het partijen vrij hun stellingen met betrekking tot de juistheid van de feiten waarvan bij het nemen van een beslissing dient te worden uitgegaan, tijdens de behandeling van het beroep, of hoger beroep, nader te staven met bewijsmiddelen. De voorzieningenrechter kan in het licht van de gedingstukken slechts concluderen dat de stellingname van verzoeker, dat de in geding zijnde functie niet passend is, onvoldoende overtuigend is gemotiveerd, waar die stellingname uitsluitend steunt op de indruk die betrokkene tijdens het selectiegesprek en de hoorzitting van de bezwarencommissie heeft gemaakt. De voorzieningenrechter heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat namens betrokkene onweersproken is gesteld dat de in geding zijnde functie inhoudelijk niet wezenlijk verschilt van de voorheen door betrokkene vervulde functie van medior medewerker helpdesk, en dat in die functie haar verstaanbaarheid geen probleem vormde. In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 24 mei 2006, LJN AX8152 en TAR 2006, 150) mocht in de gegeven situatie, mede gelet op artikel 96, tweede lid, van het ARAR, eventuele twijfel over de geschiktheid niet ten nadele van betrokkene strekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2395 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

de Minister van Justitie (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 23 maart 2009, 08/490 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 25 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2009. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Z. Wagenaar-Meijer en L.J. Veldkamp, beiden werkzaam bij het ministerie van Justitie. Namens betrokkene zijn verschenen, mr. N.E.A. Runtuwene, werkzaam bij Abvakabo/FNV, en [naam echtgenoot], echtgenoot van betrokkene.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 1 juni 2001 in dienst bij ICTRO, arrondissement Groningen, en laatstelijk aangesteld in de functie van medior medewerker helpdesk bij de afdeling [naam afdeling]. Betrokkene werd in die functie bezoldigd naar salarisschaal 7 van het bezoldigingsbesluit Rijksambtenaren 1984 (BBRA). Verzoeker heeft betrokkene wegens een reorganisatie bij ICTRO met ingang van 1 januari 2005 aangewezen als herplaatsingskandidaat.

1.2. Bij brief van 19 maart 2007 heeft de directeur ICTRO betrokkene voorgedragen voor de functie van medewerker servicedesk ICT bij het Shared Service Centre Noordoost (SSC) aangezien die functie door hem passend werd geacht in de zin van artikel 49h, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.3. Bij besluit van 10 april 2007 is betrokkene na een met haar gevoerd selectiegesprek afgewezen voor deze functie. Als grond voor de afwijzing is genoemd dat betrokkene niet voldoet aan de minimale opleidingseis en dat zij een zwaar accent heeft waardoor zij moeilijk te verstaan is door de telefoon.

1.4. Bij besluit van 29 februari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft verzoeker het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat van betrokkene mag worden verondersteld dat ze beschikt over de kennis die noodzakelijk geacht wordt om de functie naar behoren uit te oefenen, maar dat is vastgesteld dat betrokkene moeilijk te verstaan is, met name bij het ontbreken van visueel contact, en dat betrokkene op dit punt niet binnen een redelijke termijn door om-, her- of bijscholing geschikt te maken is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker opnieuw op de bezwaren van betrokkene dient te beslissen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de vaststelling door de bezwarencommissie, dat betrokkene moeilijk is te verstaan, in het licht van de gedingstukken, uit welke stukken nergens blijkt dat de verstaanbaarheid van betrokkene een goede functievervulling in de weg heeft gestaan, onvoldoende is om de vraag of sprake is van een voor betrokkene passende functie zonder meer ontkennend te kunnen beantwoorden. Daarbij is verzoeker ook nog eens voorbij gegaan aan de in het tweede lid van artikel 96 van het ARAR neergelegde mogelijkheid van het alsnog verlenen van ontslag wanneer in een periode van een jaar blijkt dat de in geding zijnde functie niet passend is en het niet mogelijk is betrokkene binnen een redelijke termijn op een passende functie te plaatsen. Gelet hierop ontbeert het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank een zorgvuldige voorbereiding en een draagkrachtige motivering.

3. Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de aangevallen uitspraak niet behoeft te worden uitgevoerd tot het moment waarop in hoger beroep is beslist.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter moet derhalve antwoord geven op de vraag of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.3.1. De grief van verzoeker dat de rechtbank de door betrokkene eerst in beroep overgelegde stukken buiten beschouwing had moeten laten slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 18 februari 2004, LJN AO5861 en RSV 2004/202), staat het partijen vrij hun stellingen met betrekking tot de juistheid van de feiten waarvan bij het nemen van een beslissing dient te worden uitgegaan, tijdens de behandeling van het beroep, of hoger beroep, nader te staven met bewijsmiddelen. Waar betrokkene van meet af aan heeft bestreden dat zij slecht verstaanbaar is, kon en mocht zij in beroep ter ondersteuning van die stelling alsnog de verklaring van een logopediste en het diploma van het staatsexamen Nederlands als tweede taal inbrengen en mocht de rechtbank deze stukken mede in haar beoordeling betrekken.

4.3.2. In geding is vervolgens de vraag of de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel dat het bestreden besluit een zorgvuldige voorbereiding en een draagkrachtige motivering ontbeert.

4.3.3. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Ook de voorzieningenrechter kan in het licht van de gedingstukken slechts concluderen dat de stellingname van verzoeker, dat de in geding zijnde functie niet passend is, onvoldoende overtuigend is gemotiveerd, waar die stellingname uitsluitend steunt op de indruk die betrokkene tijdens het selectiegesprek en de hoorzitting van de bezwarencommissie heeft gemaakt.

De voorzieningenrechter heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat namens betrokkene onweersproken is gesteld dat de in geding zijnde functie inhoudelijk niet wezenlijk verschilt van de voorheen door betrokkene vervulde functie van medior medewerker helpdesk, en dat in die functie haar verstaanbaarheid geen probleem vormde. Niet gebleken is dat over haar verstaanbaarheid navraag is gedaan bij de directie ICTRO, die haar voor de functie heeft voorgedragen. Evenmin blijkt te zijn onderzocht in hoeverre het geconstateerde gebrek door verdere bijscholing te verbeteren zou zijn.

In lijn met hetgeen de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 24 mei 2006, LJN AX8152 en TAR 2006, 150) mocht in de gegeven situatie, mede gelet op artikel 96, tweede lid, van het ARAR, eventuele twijfel over de geschiktheid niet ten nadele van betrokkene strekken.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat er niet een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Gezien dit voorlopig oordeel ziet de voorzieningenrechter geen grond om de werking van de aangevallen uitspraak te schorsen.

5. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verzoeker met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, ten bedrage van € 322,- aan kosten van rechtsbijstand en € 48,36 aan reiskosten, in totaal derhalve € 370,36.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;

Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van in totaal € 370,36, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2009.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) P.J.W. Loots.

JvS