Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3300

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-06-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
09/2376 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Oplegging disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, voor het vervolgen van zijn loopbaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers gedrag tegenover een stagiaire die aan zijn zorgen was toevertrouwd, dermate ernstig plichtsverzuim oplevert dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. De voorzieningenrechter heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat verzoeker eerder, in juli 2005, expliciet door de dienstleiding is medegedeeld dat zijn gedrag tegenover vrouwelijke medewerkers nadere aandacht verdient. Ook al is niet vast te stellen wat zich destijds precies heeft afgespeeld, appellant kon zich door die mededeling in ieder geval een gewaarschuwd man weten. Het lange dienstverband van verzoeker ten slotte behoefde voor de minister geen reden te zijn om een minder zware straf op te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 maart 2009, 09/870 en 08/8917 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister)

Datum uitspraak: 11 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2009. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. D. van Zoelen als zijn raadsman. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. Viergever- van Mourik en B.M. Braet, beiden werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker, sedert 1981 in dienst van het ministerie van Buitenlandse Zaken, was laatstelijk werkzaam in een functie bij de Directie Personenverkeer en Visumzaken (DPV). In deze functie heeft hij vanaf 9 juli 2007 mevrouw H. (verder: H.) als stagiaire onder zijn hoede gekregen.

1.2. Op 16 augustus 2007 heeft H. de leiding gemeld dat zij de samenwerking met verzoeker per direct wilde beëindigen wegens ongewenst gedrag van de kant van verzoeker. Bij besluit van 14 november 2007 is verzoeker, in verband met sterke aanwijzingen dat hij betrokken is bij het hanteren van ongewenste omgangsvormen, op grond van artikel 93, eerste lid, onder c van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (hierna: RDBZ) geschorst in het belang van de dienst. Op 15 november 2007 heeft H. tegen verzoeker een klacht als bedoeld in de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen BZ ingediend bij de in die regeling genoemde klachtencommissie. Bij besluit van 19 februari 2008 heeft de minister verzoeker medegedeeld dat de klacht van H. gegrond is verklaard.

1.3. Na bij brief van 4 maart 2008 het voornemen daartoe kenbaar te hebben gemaakt, heeft de minister bij besluit van 7 juli 2008 primair verzoeker ingaande 15 juli 2008 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd, subsidiair verzoeker ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken, voor het vervolgen van zijn loopbaan.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 30 oktober 2008 heeft de minister, met verwijzing naar het advies van 28 oktober 2008 van de Commissie van Bezwaar DBZ, onder meer het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 7 juli 2008 ongegrond verklaard.

2.1. De voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van verzoeker tegen het besluit van 30 oktober 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat de minister bevoegd was verzoeker een disciplinaire straf op te leggen. De opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag achtte de rechtbank niet onevenredig aan het door verzoeker gepleegde plichtsverzuim.

2.2. Verzoeker heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de voorzieningenrechter tevens gevraagd een voorlopige voorziening te treffen en wel in dier voege dat de minister gehouden is zijn salaris door te betalen totdat een uitspraak is gedaan in de bodemprocedure dan wel tot zes weken nadat opnieuw zal zijn beslist op zijn bezwaarschrift. Als spoedeisend belang heeft verzoeker aangevoerd thans geen inkomsten te genieten.

3. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.2. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter moet derhalve antwoord geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven.

3.3. Of de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven hangt primair af van de vraag of het verzoeker te verwijten plichtsverzuim dermate ernstig is dat daaraan de straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is te achten. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle zal kunnen geschieden. In het kader van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

3.4. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn stelling dat er sprake is van een tweede klacht van H. over hetzelfde feitencomplex. Nog daargelaten dat hoofdstuk 9 van de Awb noch de Klachtenregeling verbiedt een klacht in behandeling te nemen over een gedraging waarover reeds eerder een klacht is ingediend, is in dit geval geen sprake van een tweede klacht als bedoeld in voornoemde regelgeving. Uit de verklaring van 18 augustus 2007, opgemaakt door verzoekers leidinggevende en door hem en verzoeker ondertekend, kan slechts worden afgeleid dat H. op dat moment geen formele klacht tegen verzoeker wilde indienen. Aan H. kan niet het recht worden ontzegd op een later moment, binnen de in de Klachtenregeling genoemde termijn, alsnog een klacht in te dienen. Dat de in november 2007 door H. ingediende klacht slechts tot stand is gekomen onder mogelijk misbruik van gezag, zoals verzoeker heeft gesteld, is de voorzieningenrechter niet kunnen blijken.

3.5. Verzoeker betwist niet dat hij zich tegenover H. op 19 juli 2007 en 14 augustus 2007 zodanig heeft gedragen, dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Op eerstgenoemde datum heeft verzoeker zich ongepast tegenover H. gedragen, nadat zij samen in een restaurant wat hadden gegeten en gedronken en op 14 augustus is verzoeker, op de terugweg van een dienstreis naar Brussel, bij H. in de treincoupé gaan zitten, hoewel het hem duidelijk had moeten zijn dat zij daarvan niet gediend was. Vervolgens hebben zij de hele verdere reis ruzie gemaakt. Na aankomst in Nederland is verzoeker, tegen H.’s zin, met haar meegereisd naar haar huis, waarbij verzoeker, nadat ze uit de tram waren gestapt, zijn zelfbeheersing heeft verloren en met zijn vuist tegen de ruit van het tramhokje heeft geslagen.

3.6. Van meer of ander als plichtsverzuim aan te merken gedrag is volgens verzoeker echter geen sprake geweest. Evenmin kan volgens hem worden gezegd dat hij als een gewaarschuwd man heeft te gelden, nu hij zich niet eerder aan vergelijkbaar gedrag schuldig heeft gemaakt. Gelet hierop acht verzoeker de straf van ongevraagd ontslag onevenredig aan het hem aan te rekenen gedrag.

3.7. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet slechts de incidenten op de twee hierboven genoemde data als plichtsverzuim kunnen worden aangemerkt. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat verzoeker ook in de tussenliggende periodes, sedert de aanvang van de werkzaamheden van H., op ongepaste wijze contact met H. heeft gezocht en daarmee niet is gebleven binnen de grenzen van algemeen geldende omgangsvormen. Zo heeft verzoeker H. gedichten gegeven met soms een duidelijk amoureuze inhoud, heeft hij haar, ook in het weekend, emailberichten gezonden met een beslist niet zakelijke inhoud en heeft hij haar, zoals ook blijkt uit verzoekers verklaring van 4 december 2007 tegenover de klachtbehandelaar, meermalen thuis opgebeld, zonder dat hiervoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zakelijke reden aanwezig was te achten.

3.8. Voorts wijst de voorzieningenrechter op een door verzoeker aan H. geschreven brief van 25 augustus 2007, waarin verzoeker H. zijn oprechte en diepste verontschuldigingen aanbiedt voor zijn wangedrag naar haar toe. Daarin geeft verzoeker toe dat hij bij herhaling tegen H. heeft gezegd dat hij van haar houdt. Ook erkent verzoeker dat hij zich professioneler had moeten opstellen en zijn grenzen al lang geleden had moeten trekken, alsmede dat H. daarvoor voldoende signalen heeft afgegeven.

3.9. Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter met de rechtbank van oordeel dat de aan verzoeker verweten gedragingen niet zijn te beschouwen als een enkel incident en dat er sprake is van doorgaand gedrag van verzoeker jegens H., ondanks de vele en duidelijke signalen van H. dat zij hiervan niet was gediend.

3.10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers gedrag tegenover H., een stagiaire die aan zijn zorgen was toevertrouwd, dermate ernstig plichtsverzuim oplevert dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. De voorzieningenrechter heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat verzoeker eerder, in juli 2005, expliciet door de dienstleiding is medegedeeld dat zijn gedrag tegenover vrouwelijke medewerkers nadere aandacht verdient. Ook al is niet vast te stellen wat zich destijds precies heeft afgespeeld, appellant kon zich door die mededeling in ieder geval een gewaarschuwd man weten. Het lange dienstverband van verzoeker ten slotte behoefde voor de minister geen reden te zijn om een minder zware straf op te leggen.

4. Op grond van dit voorlopig oordeel komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb niet voor toewijzing in aanmerking.

5. Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2009.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) M. Lammerse.

RH