Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3281

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
08-134 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. De Raad overweegt dat appellante haar grief dat zij zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv niet heeft onderbouwd met medische stukken en dat de bezwaarverzekeringsarts Corten in haar rapportage van 10 maart 2008 adequaat heeft gereageerd op de grieven van appellante met betrekking tot de invulling van de FML in bezwaar. De Raad ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen voor een nader onderzoek. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/134 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 december 2007, 07/340 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F.T.I. Oey, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld en een op 22 februari 2008 gedateerde rapportage van de registerarbeidsdeskundige E.H.J.M. Spanjers ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een tweetal rapportages ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2009. Appellante is verschenen bij haar gemachtigde mr. H.H.M. Jansen, die ter vervanging van mr. Oey is opgetreden. Het Uwv is met voorafgaand bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is in het kader van de aanpassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten per 1 oktober 2004 herbeoordeeld. De verzekeringsarts R. Kuipers heeft appellante, na raadpleging van de behandelend neuroloog en de huisarts, in verband met mogelijke epilepsie, spanningshoofdpijn, psychisch beperkte draagkracht en lage rugpijn beperkt geacht in haar belastbaarheid. Kuipers heeft de beperkingen van appellante vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 november 2005. De arbeidsdeskundige P.H. van Buggenum heeft het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op grond van een theoretische schatting berekend op 7,58%. Het Uwv heeft hierop bij besluit van 23 augustus 2006 de WAO-uitkering van appellante ingaande 23 oktober 2006 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder is dan 15%.

2. Het tegen het besluit van 23 augustus 2006 gemaakte bezwaar van appellante is door het Uwv na heroverweging door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige ongegrond verklaard bij besluit van 29 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit). De bezwaarverzekeringsarts K. Corten heeft bij de heroverweging aanleiding gezien enkele wijzigingen aan te brengen in de door Kuipers voor appellante vastgestelde FML. De bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren heeft op basis van de aangepaste FML van 16 januari 2007 de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heroverwogen en vastgesteld dat er geen aanleiding is de eerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid te herzien.

3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust en het beroep ongegrond verklaard.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv de ernst van haar klachten, waaronder psychische- en chronische rugpijnklachten, heeft miskend en dat zij geen loonvormende arbeid kan verrichten. Appellante heeft onder verwijzing naar de in hoger beroep in geding gebrachte rapportage van de registerarbeidsdeskundige Spanjers aangevoerd dat de bezwaarverzekeringsarts Corten in haar rapportage geen onderbouwing heeft gegeven voor de door haar aangebrachte wijzigingen ten aanzien van de belastbaarheid van appellante. Verder heeft appellante aangevoerd dat de ten aanzien van haar geduide functies niet passend zijn. Appellante heeft de Raad verzocht een psychiater te benoemen voor een deskundigenonderzoek.

4.2. Het Uwv heeft onder verwijzing naar rapportages van de bezwaarverzekeringsarts K. Corten van 10 maart 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren van 13 maart 2008 betoogd dat de rapportage van Spanjers geen aanleiding geeft zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de in de aangevallen uitspraak vermelde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad overweegt daartoe dat appellante haar grief dat zij zwaarder beperkt is te achten dan is vastgesteld door het Uwv niet heeft onderbouwd met medische stukken en dat de bezwaarverzekeringsarts Corten in haar rapportage van 10 maart 2008 adequaat heeft gereageerd op de grieven van appellante met betrekking tot de invulling van de FML in bezwaar. De Raad ziet geen aanleiding om een deskundige te benoemen voor een nader onderzoek.

5.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat appellante de geduide functies niet zou kunnen verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige Harren heeft in zijn rapportage van 13 maart 2008 als reactie op de rapportage van Spanjers afdoende toegelicht dat de voor appellante geduide functies passend zijn voor haar. Het in de rapportage van 13 maart 2008 neergelegde commentaar is door appellante vóór noch tijdens de zitting weersproken.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR