Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3274

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
08-97 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig is geweest. Hiertoe overweegt de Raad dat het Uwv in dit geval niet onzorgvuldig heeft gehandeld door af te zien van het opvragen van informatie bij de behandelende sector, aangezien er op verzoek van het Uwv een expertise-verslag van psychiater IJsselstein, gedateerd 12 december 2005, is uitgebracht en appellant bovendien verklaard heeft dat reeds geruime tijd voor de datum in geding de behandeling bij de Symfora Groep was beëindigd. De Raad kan zich dan ook vinden in het standpunt van het Uwv dat er in dit geval geen aanleiding was om contact op te nemen met de behandelende sector, nu er voldoende medische informatie voorhanden was. Voorts ziet de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellant, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).Tenslotte is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellant in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten. Met de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige op de signaleringen bij de rapportage van 10 januari 2007 is naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht deze functies te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/97 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2007, 06/4495 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G.M.C. Peters, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2009.

Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde, mr. Peters, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 25 juli 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv zijn primaire besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering per 7 mei 2006 wegens een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% gehandhaafd.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank (kort samengevat) overwogen dat het medische onderzoek, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, zorgvuldig is geweest en er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de voorgehouden functies van controleur metaalprodukten, elektromonteur en operator/sealer medisch gezien geschikt zijn voor appellant, doch dat ten aanzien van enkele bij deze functies verschenen signaleringen pas in beroep afdoende motivering is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 10 januari 2007. De rechtbank heeft vervolgens, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 12 oktober 2006 (onder meer LJN: AY9973) het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 25 juli 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het medische onderzoek onzorgvuldig is geweest nu noch door de (bezwaar-)verzekeringsarts noch door de, door het Uwv als deskundige ingeschakelde, psychiater J. IJsselstein informatie is opgevraagd bij de behandelende sector. Voorts is erop gewezen dat de bezwaarverzekeringsarts, gelet op zijn rapportage van 17 juli 2006, tijdens de hoorzitting in feite een medisch onderzoek heeft verricht naar de psychische gesteldheid van appellant, terwijl appellant hierop niet voorbereid was en er geen sprake was van een geheimhoudingssetting. Tenslotte is erop gewezen dat appellant op de datum in geding nog immer leed aan een ernstige posttraumatische stressstoornis (PTSS) waardoor hij volledig arbeidsongeschikt was.

3. Het Uwv heeft bij het verweerschrift het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek door de verzekeringsarts zorgvuldig is geweest. Hiertoe overweegt de Raad dat het Uwv in dit geval niet onzorgvuldig heeft gehandeld door af te zien van het opvragen van informatie bij de behandelende sector, aangezien er op verzoek van het Uwv een expertise-verslag van psychiater IJsselstein, gedateerd 12 december 2005, is uitgebracht en appellant bovendien verklaard heeft dat reeds geruime tijd voor de datum in geding de behandeling bij de Symfora Groep was beëindigd. De Raad kan zich dan ook vinden in het standpunt van het Uwv dat er in dit geval geen aanleiding was om contact op te nemen met de behandelende sector, nu er voldoende medische informatie voorhanden was. Het lag op de weg van appellant om, ter adstructie van het standpunt dat de medische beoordeling onjuist is, nadere medische informatie in te brengen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Wel is in de procedure bij de rechtbank een brief van psychiater M. Muinen, gedateerd 15 december 2006, ingediend, maar de Raad is, in tegenstelling tot (de gemachtigde van) appellant, van oordeel dat deze brief niet ziet op appellant, gelet op de in deze brief weergegeven persoonlijke gegevens welke niet overeenkomen met die van appellant.

Wat betreft het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts overweegt de Raad het volgende.

Hoewel naar het oordeel van de Raad geen sprake was van een volwaardig medisch onderzoek naar de psychische gezondheid van appellant door de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting, verbindt de Raad hieraan niet de conclusie dat sprake is van onzorgvuldig onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts door middel van dossieronderzoek en door de rapportage van de verzekeringsarts kritisch te beoordelen in relatie tot de aanwezige medische gegevens – waaronder het rapport van IJsselstein –, de medische grondslag reeds met afdoende zorgvuldigheid heeft heroverwogen.

4.3. Voorts ziet de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen van appellant, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 januari 2006. Door de (bezwaar-)verzekeringsarts is rekening gehouden met de aanwezige medische gegevens van appellant, met name het expertise-verslag van psychiater IJsselstein van 12 december 2005. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn rapportage van 17 juli 2006 afdoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is om tot een ander medisch oordeel te komen. Voorts zijn door appellant in hoger beroep geen nadere medische gegevens ingediend die bij de Raad twijfel zouden kunnen oproepen aan de FML.

4.4. Tenslotte is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellant in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten. Met de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige op de signaleringen bij de rapportage van 10 januari 2007 is naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht deze functies te verrichten.

De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit op bezwaar heeft vernietigd onder de bepaling dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven.

4.5. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet.

4.6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

TM