Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3259

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
07-5528 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzienning WAO-uitkering. Met betrekking tot de grief van appellant dat hij de zitting bij de rechtbank niet heeft kunnen bijwonen, overweegt de Raad als volgt. Ingevolge artikel 8:56 van de Awb worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen. Uit de gedingstukken blijkt dat er twee uitnodigingen, respectievelijk gedateerd

14 juni 2007 en 11 juli 2007, naar appellant zijn verstuurd voor de op 31 juli 2007 te houden zitting bij de rechtbank. Beide uitnodigingen zijn abusievelijk naar het oude adres van appellant verzonden. Nu appellant hierdoor de uitnodiging pas na de zitting heeft ontvangen en de zitting niet heeft kunnen bijwonen, moet worden geoordeeld dat de rechtbank de aangevallen uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van de Awb. Hierdoor heeft appellant niet de gelegenheid gehad om zijn standpunt ter zitting bij de rechtbank toe te lichten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en derhalve dient te worden vernietigd. De zaak kan echter zonder terugwijzing naar de rechtbank worden afgedaan, nu appellant in hoger beroep de gelegenheid is geboden om zijn standpunt mondeling toe te lichten. Ter zitting is voorts gebleken dat partijen er geen bezwaar tegen hebben dat de Raad zelf in de zaak voorziet. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uit de in het dossier aanwezige medische gegevens blijkt niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5528 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 augustus 2007, 06/4678 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft bij brief van 20 september 2007 hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 januari 2009 heeft appellant gereageerd op een vraagstelling van de Raad van 29 december 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Appellant is daarbij verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. J. van den Elsaker.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als voltijds slager en is voor die werkzaamheden op 2 oktober 1989 uitgevallen wegens lage rugklachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 3 oktober 1990 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 15 februari 2006 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 15 april 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben. Deze arts heeft dossierstudie verricht en daarbij kennis genomen van de op zijn verzoek verstrekte brief van 7 juni 2006 van orthopedisch chirurg R.D. Donk. In het rapport van 26 juni 2006 heeft Sijben geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 januari 2006. Uit het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Sj. C. Kuiken van 8 augustus 2006 blijkt dat alle voorafgaand aan het besluit van 15 februari 2006 geduide functies ongewijzigd passend kunnen worden geacht. Bij besluit van 11 augustus 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2006 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bezwaarverzekeringsarts Sijben op 20 juni 2007 de FML nog heeft aangepast in verband met beperkende toelichtingen op diverse items. Met inachtneming van de aangepaste FML heeft bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. Eekhoudt opnieuw de geduide functies beoordeeld en in het rapport van 29 juni 2007 geconcludeerd dat één van de primair geduide sbc-codes komt te vervallen, maar dat er voldoende functies resteren om de schatting op te baseren. Tevens blijkt uit voornoemd rapport dat, op grond van de resterende functies en na het laten vervallen van de maximering van de maatman, het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op 42,83%. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft derhalve ongewijzigd 35 tot 45%. Vanwege voormelde eerst in beroep gegeven nadere motivering heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit heeft de rechtbank vervolgens geheel in stand gelaten, nu naar haar oordeel het bestreden besluit op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag berust. Ten aanzien van laatstbedoelde grondslag heeft de rechtbank overwogen, mede gelet op het arbeidskundige rapport van 29 juni 2007, geen aanknopingspunten te zien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant ongeschikt te achten.

4. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich vanwege zijn rugklachten volledig arbeidsongeschikt acht. Appellant acht zich niet in staat om de geduide functies te verrichten. Tevens heeft appellant aangevoerd dat de uitnodiging voor de zitting bij de rechtbank tot tweemaal toe naar zijn oude adres is verzonden. Hierdoor heeft appellant de uitnodiging pas na de zittingsdatum ontvangen waardoor hij de zitting bij de rechtbank niet heeft kunnen bijwonen.

5.1. Met betrekking tot de grief van appellant dat hij de zitting bij de rechtbank niet heeft kunnen bijwonen, overweegt de Raad als volgt.

5.1.1 Ingevolge artikel 8:56 van de Awb worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen.

5.1.2. Uit de gedingstukken blijkt dat er twee uitnodigingen, respectievelijk gedateerd

14 juni 2007 en 11 juli 2007, naar appellant zijn verstuurd voor de op 31 juli 2007 te houden zitting bij de rechtbank. Beide uitnodigingen zijn abusievelijk naar het oude adres van appellant verzonden. Nu appellant hierdoor de uitnodiging pas na de zitting heeft ontvangen en de zitting niet heeft kunnen bijwonen, moet worden geoordeeld dat de rechtbank de aangevallen uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van de Awb. Hierdoor heeft appellant niet de gelegenheid gehad om zijn standpunt ter zitting bij de rechtbank toe te lichten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en derhalve dient te worden vernietigd.

5.1.3. De zaak kan echter zonder terugwijzing naar de rechtbank worden afgedaan, nu appellant in hoger beroep de gelegenheid is geboden om zijn standpunt mondeling toe te lichten. Ter zitting is voorts gebleken dat partijen er geen bezwaar tegen hebben dat de Raad zelf in de zaak voorziet.

5.2. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens blijkt naar het oordeel van de Raad uit de in het dossier aanwezige medische gegevens niet dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uit het rapport van bezwaarverzekeringsarts Sijben van 26 juni 2006 blijkt dat is geconcludeerd dat er bij appellant sprake is van geobjectiveerde ernstige rugbeperkingen, in verband waarmee ook forse beperkingen zijn aangenomen wat betreft dynamische en statische handelingen, zoals weergegeven in de FML van 20 juni 2007. In hetgeen door appellant in hoger beroep naar voren is gebracht, ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat appellant in hoger beroep geen nadere medische informatie heeft overgelegd die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding.

5.3. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies van receptionist, baliemedewerker (sbc-code 315150), verkoper groothandel (sbc-code 317012) en telefonist, receptionist (sbc-code 315120) in medisch opzicht niet geschikt zouden zijn voor appellant. In dit verband merkt de Raad naar aanleiding van hetgeen door appellant ter zake naar voren is gebracht nog op dat ingevolge het zesde lid van artikel 18 van de WAO bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing wordt gelaten of de werknemer de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

6. Uit de rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3 volgt dat de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag rust.

7. Nu evenwel, zoals door de rechtbank is geconstateerd, eerst in beroep een voldoende arbeidskundige motivering is verstrekt, bestaat er aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Nu ook de Raad van oordeel is dat het bestreden besluit ten materiële juist is, ziet ook de Raad aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.R. van der Vos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2009.

(get.) J.W. Schuttel

(get.) M.R. van der Vos

EV