Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
09/1916 AW-VV
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft de voorzieningenrechter er niet van kunnen overtuigen dat het hem verweten gedrag hem niet kan worden toegerekend. Het geen gevolg geven aan de opdrachten tot werkhervatting heeft het college dan ook terecht aangemerkt als toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Gelet daarop was het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd betrokkene disciplinair te straffen met de zwaarste straf. Voorlopige voorziening toegewezen: er is een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak geen stand zal houden. Schorsende werking uitspraak rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1916 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 november 2008, 08/2288 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

verzoeker

Datum uitspraak: 2 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2009. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.M. de Ruiter en G.W.C.C. de Jongh, beiden werkzaam bij de gemeente Nijmegen. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. I.M.A. Bruls-van Strien, advocaat te Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was laatstelijk bij verzoekers gemeente werkzaam als verhaalsmedewerker voor 14,4 uur per week. Op 14 juni en 14 augustus 2007 heeft de direct leidinggevende betrokkene aangesproken op door hem in werktijd gevolgde fysiotherapie. Op 20 en 23 augustus 2007 heeft betrokkene wederom in werktijd fysiotherapie gevolgd. Op 23 augustus 2007 is hij ook daarop door zijn leidinggevende aangesproken. In dat gesprek heeft deze aan betrokkene gevraagd zijn verlofkaart te overhandigen, hetgeen hij heeft geweigerd. Vervolgens is het gesprek geëscaleerd en heeft betrokkene de leidinggevende uitgescholden. Nog diezelfde dag heeft betrokkene zich vervolgens ziek gemeld.

1.2. Sindsdien heeft betrokkene meerdere keren en voor langere duur geweigerd zijn werkzaamheden te hervatten, ook nadat het UWV in een door betrokkene zelf verzocht deskundigenoordeel te kennen had gegeven dat betrokkene op 23 augustus 2007 geschikt werd geacht voor het verrichten van het eigen werk. In verband hiermee heeft het college bij besluit van 29 augustus 2007 op grond van artikel 7:13:2, eerste lid, onderdeel h, van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) de betaling van de bezoldiging van betrokkene gestaakt. Ook nadien heeft betrokkene in zijn houding volhard en zijn werkzaamheden niet hervat.

1.3. Bij besluit van 27 november 2007 heeft het college betrokkene daarom op grond van de artikelen 8:13 en 16:1:5 van de AGN per 1 december 2007 de straf van ontslag opgelegd. Bij besluit op bezwaar van 10 april 2008 heeft het college zowel de staking van de bezoldiging als het strafontslag gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar van 10 april 2008 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat het uitschelden van de leidinggevende en het niet hervatten van de werkzaamheden na ontvangst van het deskundigenoordeel en opnieuw na een (tweede) sommatie weliswaar toerekenbaar plichtsverzuim opleveren maar dat geen sprake was van herhaald en doorgaand gedrag. De rechtbank acht voorts de opgelegde straf niet evenredig nu sprake is van miscommunicatie tussen betrokkene en zijn leidinggevende die, nu het college niet is ingegaan op de herhaalde verzoeken van betrokkene om te bemiddelen, waardoor de situatie kon escaleren, mede aan het college kan worden toegerekend.

3. Zowel verzoeker als betrokkene hebben tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

3.1. Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de aangevallen uitspraak niet behoeft te worden uitgevoerd tot het moment waarop in hoger beroep is beslist

3.2. Betrokkene heeft zich met name op het standpunt gesteld dat hij steeds bereid is geweest tot een oplossing te komen door middel van mediation en dat hij zich, gezien het zijns inziens bestaande arbeidsconflict en de verstoorde arbeidsverhouding tussen hem en zijn direct leidinggevende, psychisch niet in staat voelde zijn werkzaamheden te hervatten.

4. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.3. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang. Hij moet daarom antwoord geven op de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Of dat het geval is, hangt af van het antwoord op de vraag of betrokkene zich heeft schuldig gemaakt aan zodanig ernstig plichtsverzuim - dat aan betrokkene kan worden toegerekend - dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. De beantwoording van die vraag vergt een onderzoek en een afweging die pas in de bodemprocedure ten volle kunnen geschieden. In het kader van het onderhavige verzoek komt de voorzieningenrechter tot de volgende afweging.

4.3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad geldt de weigering van een ambtenaar zijn werk te verrichten, als ernstig plichtsverzuim. Dat is zeker zo wanneer de ambtenaar, zoals hier het geval is geweest, in die weigering volhardt nadat hem meerdere keren de uitdrukkelijke opdracht is gegeven zijn werk te hervatten, nadat een door hem gedaan beroep op ziekte geen stand bleek te houden, nadat de maatregel was getroffen van het niet meer betalen van de bezoldiging en nadat hij uitdrukkelijk was gewezen op de consequenties van het niet voldoen aan de opdrachten.

4.3.2. Betrokkene heeft de voorzieningenrechter er niet van kunnen overtuigen dat het hem verweten gedrag hem niet kan worden toegerekend. De enkele stelling van betrokkene dat er een arbeidsconflict was en dat sprake was van zodanig verstoorde verhoudingen dat er eerst medation zou moeten plaatsvinden, is daarvoor onvoldoende. Betrokkene heeft zijn stelling dat hij in de periode hier van belang op psychische gronden niet in staat was zijn werkzaamheden te hervatten dan wel een werkhervattingsgesprek met zijn direct leidinggevende te voeren, niet met medische stukken onderbouwd.

Het geen gevolg geven aan de opdrachten tot werkhervatting heeft het college dan ook terecht aangemerkt als toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Gelet daarop was het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd betrokkene disciplinair te straffen met de zwaarste straf.

5. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid is dat de aangevallen uitspraak geen stand zal houden.

Op grond van dit oordeel en gelet op de omstandigheid dat uitvoering van de aangevallen uitspraak met zich zou brengen dat verzoeker betrokkene opnieuw tewerk moet stellen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

Schorst de werking van de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 11 november 2008, 08/2288, totdat op het hoger beroep is beslist;

Bepaalt dat de griffier het door verzoeker betaalde griffierecht van € 433,- terugbetaalt aan de gemeente Nijmegen.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.J.W. Loots als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.J.W. Loots.

RH