Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3196

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
21-07-2009
Zaaknummer
08-2934 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding tot twijfel bestaat aan de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen van appellante. De Raad ziet evenmin als de rechtbank aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten. Geen beperking appellante ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2934 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2008, 06/4543 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2009.

Appellante is verschenen in tegenwoordigheid van haar gemachtigde, Martens, voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 oktober 2006 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 3 mei 2006 vanwege een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% ongegrond verklaard.

1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank (kort samengevat) overwogen dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest en er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de voorgehouden functies van acquisiteur, portier en parkeercontroleur passend zijn voor appellante, doch dat ten aanzien van enkele bij deze functies verschenen G-signaleringen pas in beroep een afdoende motivering is gegeven door de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 28 maart 2007. De rechtbank heeft vervolgens het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 4 oktober 2006 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, onder bepaling dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven.

2. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar het beroepschrift in eerste aanleg en het bezwaarschrift, aangevoerd dat haar medische beperkingen onderschat zijn en dat de eerder aangenomen urenbeperking ten onrechte niet langer is gehandhaafd. Voorts heeft de (bezwaar-)verzekeringsarts de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten niet in acht genomen bij zijn medische onderzoek, hetgeen ook blijkt uit de gebrekkige motivering in de medische rapportages. Appellante stelt dat zij op 3 mei 2006 volledig arbeidsongeschikt was gelet op het geheel van psychische en fysieke beperkingen. Voorts heeft zij de Raad verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Tenslotte heeft zij aangevoerd dat de geduide functies niet passend zijn en dat de motivering van de signaleringen gekunsteld is.

3. Het Uwv heeft bij het verweerschrift het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding tot twijfel bestaat aan de in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) neergelegde beperkingen van appellante. De Raad stelt zich volledig achter de uitgebreide overwegingen van de rechtbank inzake de zorgvuldigheid van het medische onderzoek en de juistheid van de medische beperkingen en maakt deze tot de zijne. Wat betreft het argument ten aanzien van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten overweegt de Raad het volgende. Eerst ter zitting is de Raad gebleken dat deze grief ziet op het protocol Aspecifieke lage rugpijn. Nu echter niet nader is onderbouwd op welke punten door de (bezwaar-)verzekeringsarts niet is gehandeld conform dit protocol, ziet de Raad geen aanleiding om het medische onderzoek op dit punt onzorgvuldig te achten. Het argument van appellante dat het onderzoek van de rug erg kort was, geeft de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de zorgvuldigheid van het medische onderzoek. Wat betreft de stelling van appellante dat ten onrechte geen informatie is opgevraagd door het Uwv bij de behandelend sector is de Raad met de rechtbank en eveneens onder dezelfde overwegingen van oordeel dat dit geenszins twijfel oproept aan de zorgvuldigheid van het medische onderzoek. Voorts wijst de Raad erop dat appellante op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting aangegeven heeft welke stappen zijn gezet nadat de expertise van reumatoloog P.L.M. van Oijen was afgerond en wat de resultaten daarvan zijn geweest. Appellante heeft aangegeven dat uit nadere onderzoeken is gebleken dat sprake is van bekkeninstabiliteit en fibromyalgie en dat andere reumatische aandoeningen zoals Bechterew zijn uitgesloten. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan deze informatie, gelet op de (kennelijk duidelijke) presentatie van deze gegevens door appellante en de bij hem reeds bekende medische informatie ten aanzien van appellante. De Raad vermag niet in te zien op welke grond dit zou moeten leiden tot het oordeel dat sprake is van onzorgvuldigheid van het medische onderzoek. Voorts was de verzekeringsarts bekend met de buikspiercorrectie in september 2005. Hij heeft, na onderzoek van de buik en het litteken, geen aanleiding gezien om in verband hiermee rekening te houden met extra beperkingen ten aanzien van arbeid. De Raad ziet geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van deze beoordeling.

Nu appellante in hoger beroep evenmin als in eerste aanleg medische informatie heeft overgelegd die twijfel bij de Raad zou kunnen oproepen aan de medische beoordeling, ziet de Raad evenmin als de rechtbank aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige.

4.3. Voorts is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten. De toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige op de G-signaleringen bij rapportage van 28 maart 2007 is afdoende. Ook is ten aanzien van het niet matchende item 5.9 (afwisseling van houding) in de FML afdoende gemotiveerd door de arbeidsdeskundige in zijn rapportage van 27 februari 2006 dat de voorgehouden functies voldoende afwisseling in zitten, staan en lopen kennen. Nu appellante niet beperkt is geacht ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren slaagt het argument ten aanzien van het voorkomen van stress bij uitoefening van de geduide functies reeds op deze grond niet. De Raad verenigt zich derhalve met de overwegingen van de rechtbank terzake en is dan ook van oordeel dat de rechtbank terecht het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit op bezwaar heeft vernietigd onder de bepaling dat de rechtsgevolgen geheel in stand blijven.

4.4. Gelet op het bovenstaande slaagt het hoger beroep niet.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

EV