Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3074

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
07-6197WAO+07-6198WAO+07-6199WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde uitkering. Mededelingsplicht. Niet nakomen van verplichting. Appellante heeft op basis aan de haar verstrekte jaaropgaven tot tweemaal toe aangifte gedaan bij de belastingdienst. Naheffing belastingdienst. Geen actie terugdraaien aangiften. Boete vanwege niet nakomen inlichtingenplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6197 WAO

07/6198 WAO

07/6199 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 oktober 2007, 07/215, 07/216 en 07/217 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.H.S. Brinkman, advocaat te Kerkrade, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Brinkman, voornoemd. Voor het Uwv is verschenen W.J.M.H. Lagerwaard.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is ingaande 18 juni 2002 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Nadien heeft appellante werkzaamheden verricht voor [naam werkgever] (hierna: [werkgeefsterrkgever]), een onderneming die in de zomermaanden een zandsculpturenfestival organiseerde in [plaatsnaam] en in de wintermaanden een ijssculpturenfestival in [plaatsnaam]. Naar stelling van appellante is zij slechts in beperkte mate werkzaam geweest tijdens het festival in [plaatsnaam] in december 2003 en januari 2004 en wel gedurende in totaal 15 dagen. Zij ging er daarbij vanuit dat haar werkgever aan het Uwv opgave zou doen van haar verdiensten.

1.3. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante in de maanden juli 2003, augustus 2003, november 2003, december 2003, juli 2004, augustus 2004 en december 2004 inkomsten uit arbeid bij [werkgeefsterrkgever] heeft genoten.

1.4. Hiervan uitgaande heeft het Uwv bij besluit van 18 oktober 2005 met toepassing van artikel 44 van de WAO de uitkering van appellante over deze maanden niet, dan wel gedeeltelijk betaalbaar gesteld in verband met door appellante in deze maanden ontvangen inkomsten uit arbeid.

1.5. Bij besluit van eveneens 18 oktober 2005 heeft het Uwv het bedrag aan uitkering dat aan appellante in de periode van 8 juni 2003 tot en met 31 december 2004 onverschuldigd is betaald, van haar teruggevorderd. Het betreft een bedrag van € 5.380,43 bruto.

1.6. Bij besluit van 16 november 2005 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van

€ 462,-, omdat zij de op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen.

1.7. Bij besluiten van 14 februari 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 18 oktober en 16 november 2005 ongegrond verklaard.

1.8. Bij uitspraak van 28 augustus 2006 heeft de rechtbank appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar beroepen tegen de besluiten van 14 februari 2006 op de grond dat, nu het Uwv ter zitting te kennen heeft gegeven deze besluiten niet te handhaven, appellante geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van deze besluiten.

1.9. Na het instellen van een nader onderzoek heeft het Uwv bij besluiten van 5 januari 2007 de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 18 oktober 2005 en 16 november 2005 wederom ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen de besluiten van 5 januari 2007 ongegrond verklaard.

2.2. Met betrekking tot de korting van de uitkering van appellante in verband met inkomsten uit arbeid, heeft de rechtbank in haar uitspraak, waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder, het volgende overwogen:

“Vooropgesteld zij dat op eiseres ingevolge het bepaalde in artikel 80 WAO de verplichting rustte opgave aan verweerder te doen van haar werkzaamheden en inkomsten. Dat zij er - al dan niet terecht - van uitging dat haar werkgever dat zou doen, kan haar niet ontheffen van haar mededelingsplicht die ingevolge deze bepaling - enkel - op haar rustte.Volgens de betaallijst en loonstaat 2003 heeft eiseres in de maanden juni, juli, augustus, november en december 2003 in totaal € 5613,77 (bruto) verdiend en zijn aan haar betalingen van in totaal € 4395,64 netto gedaan. Eiseres heeft in haar belastingaangifte over hetzelfde jaar opgave gedaan van een bedrag van € 5.980,- aan (bruto)loon met vermelding van [werkgeefsterrkgever] als werkgever. Over 2004 heeft zij volgens de loonstaat over de maanden januari, juli, augustus, september en december een bedrag van € 5.222,60 aan brutosalaris verdiend en zijn aan haar nettobetalingen gedaan van in totaal € 4.752,80. In haar aangifte 2004 deed zij conform de loonstaat 2004 opgave van een bedrag van € 5.410,- aan loon met vermelding van - wederom - [werkgeefsterrkgever] als werkgever. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de door eiseres overgelegde, schriftelijke, verklaringen van [naam (voormalig) directeur], (voormalig) directeur van [werkgeefsterrkgever], van 9 mei 2006 en 31 juli 2006 geen specifieke informatie met betrekking tot eiseres behelst, anders dan dat zij niet werd ingezet voor opbouw- of afbraakwerkzaamheden. De door [naam (voormalig) directeur] op 9 februari 2006 aan verweerder gegeven telefonische informatie sluit in het geheel niet uit dat eiseres op een van de festivals in [plaatsnaam] en - hij spreekt van het zandsculpturenfestival in [plaatsnaam] dat gedurende de zomermaanden wordt gehouden, zonder aanduiding van het jaar - mogelijk zelfs op beide festivals, die liepen van 27 juli tot 30 augustus 2003 respectievelijk 18 juli tot 5 september 2004 heeft gewerkt en voorts de gehele periode van het festival 2003/2004 te [plaatsnaam] dat liep van 15 november 2003 tot 11 januari 2004. [naam (voormalig) directeur] verwijst bovendien naar de voormalig boekhouder,

[naam (voormalig) boekhouder], die (eveneens telefonisch) aan verweerder meedeelde dat hij geen twijfels had omtrent de juistheid van de loonstaten van 2003 en 2004. De gegevens die verweerder voorts aan de Basisregistratie en het Suwinet ontleende vermelden dat het dienstverband van eiseres tot en met december 2004 heeft geduurd. Omtrent de schriftelijke verklaring van de werkgever van 1 november 2004, waarop staat vermeld dat het dienstverband per 26 september 2004 was geëindigd heeft verweerder met juistheid erop gewezen dat deze verklaring is gedateerd op 1 november 2004, derhalve voor december 2004, waarvan de loonstaat 2004 aangeeft dat eiseres in die maand heeft gewerkt. Alhoewel aan eiseres dient te worden toegegeven dat de van [werkgeefsterrkgever] ontvangen administratie en gegevens incompleet en niet geheel sluitend zijn, heeft verweerder zich, uitgaande van de voorhanden gegevens, op het standpunt mogen stellen dat eiseres de als zodanig op de betaallijst en loonstaat 2003 en de loonstaat 2004 vermelde bedragen in de daarop vermelde periodes heeft verdiend en ontvangen. Aan de schriftelijke verklaringen van de echtgenoot van eiseres en drie bekenden komt onvoldoende betekenis toe, reeds vanwege de persoonlijke relatie(s) en de algemene bewoordingen waarin deze zijn gesteld. Van bedoelde Van Genechten blijkt ten slotte niet meer dan dat zij regelmatig aanwezig is geweest op het domein van het festival in [plaatsnaam] in 2003 en daar eiseresses aanwezigheid nimmer heeft opgemerkt. Daarnaast is niet gebleken of zij eiseres (ten tijde van het festival) kent(de). Naar het oordeel van de rechtbank komt derhalve ook deze verklaring onvoldoende betekenis toe tegenover de uit verweerders onderzoek gebleken informatie. Dat de administratie van [werkgeefsterrkgever] gebrekkig is, komt voorts binnen de context van onderhavige besluitvorming voor risico van eiseres die heeft verzuimd concrete, verifieerbare gegevens betreffende haar inkomsten te verstrekken als gevolg waarvan verweerder genoodzaakt was een reconstructie te maken van eiseresses werkzaamheden en verdiensten. Ook het feit dat eiseres dergelijke gegevens niet kan verstrekken kan haar niet baten, nu zij zich kennelijk contant heeft laten uitbetalen zonder dat aan haar een bewijs van ontvangst werd verstrekt. Zulks geldt evenzeer voor haar argument dat de jaaropgaven 2003 en 2004, aan de hand waarvan de belastingdienst op haar verzoek de belastingaangifte over de bedoelde jaren invulde, ook een te hoog bedrag aan loon vermeldde, naar haar achteraf is gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank kan ten slotte niet worden gezegd dat verweerders onderzoek ontoereikend is geweest, enkel omdat omtrent een aantal aspecten geen volstrekte duidelijkheid is verkregen, temeer nu ook de van de zijde van eiseres ontplooide initiatieven richting [werkgeefsterrkgever] niet tot meer resultaat hebben geleid.Verweerder heeft derhalve terecht en op goede gronden aangenomen dat eiseres de genoemde bedragen over de bedoelde periodes heeft verdiend, zodat hij terecht heeft beslist dat eiseresses uitkering over de bedoelde periodes niet uitbetaald dan wel uitbetaald had dienen te worden tot de bedragen ter grootte van haar arbeidsongeschiktheid als deze opnieuw zou zijn vastgesteld. Nu derhalve het niet nakomen door eiseres van haar verplichting op grond van artikel 80 van de WAO heeft geleid tot het ten onrechte verlenen respectievelijk tot een te hoog bedrag verlenen van de uitkering, heeft verweerder voorts terecht de uitkering over de bedoelde periodes herzien op de voet van het bepaalde in artikel 36a, eerste lid, sub b, van de WAO.”

2.3. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat haar niet is gebleken van dringende redenen, op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had kunnen afzien.

2.4. Ook met betrekking tot de opgelegde boete heeft de rechtbank in het licht van het bepaalde in artikel 29a van de WAO het Uwv gevolgd.

3.1. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen dan waartoe de rechtbank is gekomen. Appellante heeft er terecht op gewezen dat de administratie van [werkgeefsterrkgever] onvolkomenheden bevat, doch daaraan kent de Raad in navolging van de rechtbank niet die betekenis toe die appellante daaraan gehecht wenst te zien. Doorslaggevend acht de Raad dat appellante op basis van de door [werkgeefsterrkgever] verstrekte jaaropgaven 2003 en 2004, welke jaaropgaven sporen met de loonstaten, tot twee maal toe aangifte heeft gedaan bij de belastingdienst. In dit verband wijst de Raad ook op de zich onder de gedingstukken bevindende verklaring van de boekhouder van [werkgeefsterrkgever], inhoudende dat appellante en haar partner bij hem zijn langs geweest in verband met de jaaropgaven, echter niet omdat deze onjuist waren maar omdat appellante een naheffing van de belastingdienst had ontvangen. Niet valt in te zien waarom appellante niet kan worden gehouden aan haar opgave jegens de belastingdienst van haar verdiensten bij [werkgeefsterrkgever]. Dat appellante, naar zij ter zitting van de Raad heeft verklaard, die opgave heeft gedaan op basis van de door [werkgeefsterrkgever] aan haar verstrekte jaaropgaven 2003 en 2004, zonder daar verder bij na te denken, is niet afdoende. Daarbij komt dat niet is kunnen blijken dat zij bij de belastingdienst actie heeft ondernomen om die aldus gedane aangiften teruggedraaid te krijgen. Ook overigens kan de Raad zich vinden in de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank.

3.2. Nu appellante geen zelfstandige grieven met betrekking tot de terugvordering en de opgelegde boete naar voren heeft gebracht, volgt uit het vorenstaande dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2009.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.Wit.

EV