Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
08-1598 WAO + 08-3645 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering (15-25%). Voldoende medische grondslag. Blijkens nader besluit 2 handhaaft het Uwv niet langer de in het bestreden besluit 1 neergelegde arbeidskundige grondslag van de schatting. De Raad kan instemmen met de aan het besluit 2 ten grondslag gelegde drie functies. Vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1598 WAO + 08/3645 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], voorheen wonende te [woonplaats] en sinds 27 juni 2008 wonende te [woonplaats] Duitsland (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 29 januari 2008, 05/745 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, werkzaam als juridisch medewerker bij Delescen Advocaten te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij een nieuw besluit op bezwaar van 13 juni 2008 ingezonden met de daarbij behorende onderliggende stukken.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 mei 2009. Partijen zijn -met kennisgeving- niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als administratief medewerkster toen zij op 15 september 2003 uitviel voor deze werkzaamheden als gevolg van polsklachten.

1.2. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van

13 september 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 13 december 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 14 februari 2005 ingetrokken onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 13 december 2004 minder dan 15% was.

1.4. Het door appellante tegen het besluit van 13 december 2004 gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 15 april 2005 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat bestreden besluit 1 op een juiste vaststelling van de voor appellante geldende medische beperkingen berust. Voorts volstaat de rechtbank, nu in beroep uitsluitend gronden van medische aard zijn aangevoerd, met de vaststelling dat de geduide functies, behoudens door haar ingeschakelde deskundige reumatoloog drs. D.M. Hofman niet geschikt bevonden functie van productiemedewerker, in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn te achten. Op basis van de resterende functies is onveranderd sprake van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

3. Tegen het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 is in hoger beroep aangevoerd dat zij ten gevolge van haar klachten en beperkingen op en na 14 februari 2005 niet in staat was tot het duurzaam en fulltime verrichten van arbeid. De verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onderschatten de aard en omvang van de invaliderende beperkingen bij langduriger belasting. Appellante is - naar de Raad aanneemt subsidiair - van mening dat een urenrestrictie aangenomen had moeten worden.

4.1. Naar aanleiding van de arbeidskundige gronden in hoger beroep heeft het Uwv bij het besluit van 13 juni 2008 (bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante alsnog gegrond verklaard. Het Uwv heeft met ingang van 14 februari 2005 aan appellante een uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tevens heeft het Uwv de kosten van bezwaar vergoed.

4.2. De Raad stelt vast dat bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet komt aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wordt het beroep tegen bestreden besluit 1 dan ook geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 en om die reden dan ook in het kader van de beoordeling van het hoger beroep van appellante betrokken.

5.1. Wat betreft het door appellante in hoger beroep aangevochten oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van bestreden besluit 1 ziet de Raad geen aanleiding daarover een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante door een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De verzekeringsarts die op 14 oktober 2004 het primaire medische onderzoek heeft verricht, heeft appellante beperkt geacht ten aanzien van met name een carpaal tunnel syndroom en fibromyalgie. De Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bevat beperkingen in alle zes de rubrieken. Bezwaarverzekeringsarts G.P.J. de Kanter heeft, rekening houdende met het bezwaarschrift en de informatie uit de hoorzitting, de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven. Uit alle medische informatie, waaronder het rapport van 2 juli 2007 van de in overweging 2 vermelde deskundige die zich kon verenigen met de FML, zijn, naar het oordeel van de Raad, geen gegevens naar voren gekomen die aanleiding geven tot de conclusie dat appellante op de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen. Gelet op een en ander heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 onderschreven.

5.2.1. Blijkens het bestreden besluit 2 handhaaft het Uwv niet langer de in het bestreden besluit 1 neergelegde arbeidskundige grondslag van de schatting. De Raad kan instemmen met de aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde drie functies, zoals deze zijn toegelicht in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 april 2008 en waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding uitkomt op 17,87%. Gelet op een en ander dient, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen bestreden besluit 1 alsnog gegrond te worden verklaard.

5.2.2. Ten aanzien van het verzoek van appellante om vergoeding van de schade die zij lijdt als gevolg van de indeling bij bestreden besluit 1 in een onjuiste arbeidsongeschiktheidsklasse, overweegt de Raad dat het overwogene in 5.2.1 meebrengt dat zij voor vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen WAO-uitkering in aanmerking komt. Voor de wijze waarop het Uwv deze rente dient te berekenen verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995/314.

5.2.3. Het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het bestreden besluit 2 wordt, gelet op overweging 5.2.1, ongegrond verklaard.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 805,-. Het Uwv heeft in het besluit van 12 juni 2008 aangegeven over te gaan tot vergoeding van de kosten van bezwaar en tegen de hoogte daarvan is appellante niet opgekomen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering tot vergoeding aan appellante van wettelijke rente op de voet van het gestelde in overweging 5.2.2.;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 805,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.V. Benza als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2009.

(get.) J.W. Schuttel

(get.) R.V. Benza

EV