Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
07-6296 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag afgewezen om bijzondere bijstand in de salariskosten van de bewindvoerder. De Raad kan de besluitvorming van het Dagelijks Bestuur niet volgen. Beoordeeld dient te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, op welk punt het Dagelijks Bestuur een zekere beoordelingsvrijheid heeft. Het standpunt van het Dagelijks Bestuur berust niet op de hiervoor beschreven, individuele beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 190
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/ 6296 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 2 oktober 2007, nr. 07/354

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (hierna: Dagelijks Bestuur).

Datum uitspraak: 1 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2009, waar appellante niet is verschenen en waar het Dagelijks Bestuur zich heeft laten vertegenwoordigen door

mr. O. Ketel, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij vonnis van 15 maart 2005 heeft de rechtbank Assen ten aanzien van appellante de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ingevolge de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) uitgesproken.

1.2. Appellante heeft op 25 september 2006 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand in de salariskosten van de bewindvoerder, te weten een bedrag van € 45,-- (per maand). Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het Dagelijks Bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat het gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de WWB.

1.3. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het Dagelijks Bestuur het tegen het besluit van

16 oktober 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 26 maart 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2,

de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Blijkens het verhandelde ter zitting moet de onderwerplijke aanvraag van appellante aldus worden begrepen dat deze ziet op het salaris van de bewindvoerder voor zover dat ten tijde van de aanvraag nog niet uit de boedel was voldaan, te weten de kosten vanaf september 2006.

4.3. Het Dagelijks Bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Hiervoor acht het Dagelijks Bestuur doorslaggevend dat het verstrekken van bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering in het kader van de WSNP indirect leidt tot het bijdragen aan het aflossen van schulden, hetgeen niet strookt met de uitgangspunten van de WWB zoals verwoord in artikel 13, eerste lid, onder f, van de WWB. Het salaris van de bewindvoerder moet immers uit de boedel worden voldaan. De boedel omvat de inkomsten van de saniet, voor zover deze de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, te boven gaan. Het inkomen van appellante is hoger dan deze voet. Daarom beschikt zij over middelen om te voorzien in de onderhavige kosten. Dat appellante door het betalen van de kosten van bewindvoering een besteedbaar inkomen overhoudt dat lager is dan het voor haar geldende bijstandsniveau is een consequentie van de toepassing van de WSNP.

4.4. De Raad kan de besluitvorming van het Dagelijks Bestuur niet volgen. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, op welk punt het Dagelijks Bestuur een zekere beoordelingsvrijheid heeft. Het standpunt van het Dagelijks Bestuur zoals onder 4.3 weergegeven, berust niet op de hiervoor beschreven, individuele beoordeling. Daarmee voldoet de besluitvorming van het Dagelijks Bestuur niet aan de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde eis dat een besluit zorgvuldig dient te worden voorbereid en ontbeert het tevens een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Het besluit van 26 maart 2007 kan derhalve geen stand houden.

4.5. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 maart 2007 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eer-ste lid, van de Awb vernietigen. Het Dagelijks Bestuur zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen opnieuw op het bezwaar van appellante dienen te beslissen.

4.6. Met het oog op de nieuw te nemen beslissing overweegt de Raad nog als volgt. Gelet op het onder 4.3 weergegeven standpunt van het Dagelijks Bestuur is tussen partijen niet in geschil dat voor de kosten in geding geen voorliggende voorziening aanwezig is, en dat het gaat om daadwer-kelijke, actuele kosten. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 10 juni 2008, LJN BD4040, dient, gelet op het vonnis van de rechtbank van 15 maart 2005, de noodzaak van de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van appellante uitgangspunt te zijn. Daarmee staat tevens vast dat de salariskosten van de door de rechtbank benoemde bewind-voerder moeten worden aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzake-lijke kosten van bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB.

4.7. Het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding komt thans niet voor toewijzing in aanmerking, omdat nadere besluitvorming door het Dagelijks Bestuur noodzakelijk is en de Raad onvoldoende zicht heeft in de omvang van de door het besluit van 26 maart 2007 en het daaraan ten grondslag liggende primaire besluit geleden schade. Het Dagelijks Bestuur zal bij zijn nadere besluitvorming tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of en zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

5. De Raad ziet aanleiding om het Dagelijks Bestuur te veroordelen in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 26 maart 2007;

Bepaalt dat het Dagelijks Bestuur een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Dagelijks Bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 966,--, te betalen door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Intergemeentelijke Sociale Dienst Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en A.B.J. van der Ham en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2009.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.E. Giesen.

E.L.S.