Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2956

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
20-07-2009
Zaaknummer
07-6580 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag eerder ingaan nabestaandenuitkering. Geen sprake van een bijzonder geval. Naar het oordeel van de Raad blijkt niet dat appellant op psychische gronden buiten staat was zijn belangen naar behoren te laten waarnemen. Nieuw besluit SVB ingangsdatum halfwezenuitkering. Besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Motiveringsgebrek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010, 16

Uitspraak

07/6580 ANW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 26 oktober 2007, 06/3863 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 9 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.F. Roth, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Bij de aanvulling van de gronden van het hoger beroep zijn tevens nadere stukken ingediend.

De Svb heeft van verweer gediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2009. Appellant is in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die afkomstig was uit Suriname, heeft zich, naar eigen zeggen, in 1992 in Nederland gevestigd. Op 24 september 1998 heeft hij zich laten inschrijven in de gemeente Eindhoven. Met ingang van 4 maart 1999 is [Naam partner], eveneens afkomstig uit Suriname, ingeschreven op hetzelfde adres. Uit de relatie tussen appellant en [naam partner] zijn twee kinderen geboren, te weten [naam kind 1], geboren [in] en [naam kind 2], geboren [in] 1999. [naam partner] is 26 augustus 1999 overleden ten gevolge van zelfdoding. Bij niet-gedagtekend aanvraagformulier, door de Svb ontvangen op 31 december 1999, heeft appellant verzocht om toekenning van een

nabestaanden- en halfwezenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

1.2. De Svb heeft aan Cadans verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of het overlijden van [naam partner] was te voorzien binnen één jaar vanaf datum van overlijden. Bij brief van 23 maart 2000 heeft Cadans aan de Svb bericht dat aan appellant is verzocht om op 21 maart 2000 aanwezig te zijn op het basiskantoor van Cadans. Appellant is zonder bericht van verhindering niet verschenen. Het onderzoek waarom door de Svb is verzocht kon dan ook niet worden uitgevoerd. Bij besluit van 12 april 2000 heeft de Svb aan appellant bericht dat deze geen recht heeft op een nabestaandenuitkering. Ter motivering wordt opgemerkt dat appellant niet is verschenen op de oproep van Cadans. De Svb kon dan ook niet beoordelen of zich een uitsluitingsituatie voordeed. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3. Bij formulier gedagtekend 13 mei 2005 heeft appellant wederom een nabestaanden- en halfwezenuitkering aangevraagd. Bijgevoegd is een aantal stukken, waaronder een akte van erkenning, gedagtekend 15 juli 1999. Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft de Svb de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen nabestaande is in de zin van de ANW noch ouder/verzorger van een halfwees jonger dan achttien jaar. Bij besluit van 1 augustus 2006 is het bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. Namens appellant is tegen dit besluit beroep ingesteld. Hangende de procedure in beroep is bij besluit van 26 juni 2007 het bezwaar alsnog gegrond verklaard. Aan appellant is met ingang van mei 2004, derhalve één jaar voor het indienen van de aanvraag op 13 mei 2005, een nabestaanden- en halfwezenpensioen toegekend.

2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2006 tevens gericht geacht tegen het besluit van 26 juni 2007.

2.3. Namens appellant zijn gronden aangevoerd tegen de ingangsdatum van de uitkering. De aanvraag dateert immers al van december 1999. Deze aanvraag is destijds afgewezen, evenwel - zoals blijkt uit de herziene beslissing op bezwaar - op onjuiste gronden. Dit valt appellant niet toe te rekenen. Mede op grond van de hardheidsclausule mag van de Svb worden verwacht dat zij appellant en zijn kinderen vanaf 1999 een nabestaandenuitkering toekent.

2.4. In reactie hierop is door de Svb opgemerkt dat appellant tegen het besluit van

12 april 2000 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De afwijzing destijds moet dan ook als rechtmatig worden geduid.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 1 augustus 2006, bij gebrek aan belang, niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dat appellant geacht wordt te hebben ingesteld tegen het besluit van 26 juni 2007 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de ingangsdatum is vastgesteld conform het bepaalde in artikel 33, vierde lid, van de ANW. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van een bijzonder geval waardoor de Svb zou dienen af te wijken van het bepaalde in dat artikel. De door appellant gestelde omstandigheid dat zijn eerdere aanvraag uit 1999, gelet op de thans toegekende nabestaandenuitkering, op onjuiste gronden is afgewezen, kan niet tot een ander oordeel leiden nu dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden.

4.1. In hoger beroep is namens appellant de ingangsdatum van de nabestaanden- en halfwezenuitkering bestreden. Opgemerkt wordt dat appellant door de situatie destijds,

de zelfdoding van zijn partner en de zorg voor twee kleine kinderen, in ernstige psychische problemen verkeerde. Hij was in die periode niet goed in staat zijn eigen belangen te behartigen. Op grond hiervan dient de Svb ervan uit te gaan dat er sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33 van de ANW. Bijgevoegd is een brief van de huisarts waarin melding wordt gemaakt van de psychische problemen van appellant in de eerste helft van het jaar 2000.

4.2. In verweer is namens de Svb een uiteenzetting gegeven over het beleid met betrekking tot de toepassing van artikel 33, vierde lid, van de ANW. Een bijzonder geval wordt onder meer aangenomen indien betrokkene door een aan hem niet toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen. Hetgeen namens appellant in de onderhavige procedure is aangevoerd kan naar het oordeel van de Svb niet leiden tot de conclusie dat appellant niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen. Integendeel, appellant hééft in december 1999 een aanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen op grond van het feit dat appellant geen medewerking verleende aan het onderzoek naar de gezondheidstoestand van zijn partner. Geconcludeerd wordt dat geen sprake is van een bijzonder geval.

5.1. Het gaat in de onderhavige procedure om de beantwoording van de vraag of de rechtank met recht het besluit van de Svb, waarbij de ingangsdatum van de nabestaanden- en halfwezenuitkering is vastgesteld op mei 2004, in stand heeft gelaten.

5.2. De Raad zal eerst ingaan op de nabestaandenuitkering en daarna op de halfwezenuitkering.

5.3. Ten aanzien van de nabestaandenuitkering kan de Raad zich vinden in het oordeel van de Svb en de rechtbank dat er geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan deze uitkering mogelijk eerder had kunnen ingaan dan per mei 2004. Ook naar het oordeel van de Raad blijkt niet, ook niet uit de namens appellant overgelegde medische stukken, dat appellant, in de periode na het overlijden van zijn partner, op psychische gronden buiten staat was zijn belangen naar behoren (te laten) waarnemen. Dat blijkt onder meer, zoals de Svb met recht opmerkt, uit het feit dat appellant daadwerkelijk ook een aanvraag om uitkering heeft ingediend. Dat appellant tegen de afwijzing van de aanvraag geen rechtsmiddelen heeft ingesteld kan niet tot de conclusie leiden dat er sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ANW.

5.4. Ten aanzien van de halfwezenuitkering stelt de Raad voorop dat appellant bij zijn,

op 31 december 1999 door de Svb ontvangen, aanvraag expliciet (mede) heeft verzocht om toekenning van een halfwezenuitkering. Het besluit van 12 april 2000 bevat evenwel enkel een afwijzing van de aanvraag van appellant om een nabestaandenuitkering. Het besluit bevat noch overwegingen met betrekking tot de halfwezenuitkering noch een beslissing met betrekking tot de aanvraag van die uitkering. Daaruit volgt dat ten tijde van de besluitvorming door de Svb op het (herhaalde) verzoek van appellant om toekenning van een halfwezenpensioen, op de aanvraag uit december 1999 nog niet was beslist. Nu de Svb dit niet heeft onderkend is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, terwijl het in zoverre tevens leidt aan een motiveringsgebrek. De Raad merkt nog op dat aan een eventuele honorering van de aanvraag om een halfwezenuitkering uit 1999, artikel 33, vierde lid, eerste volzin, van de ANW, (vanzelfsprekend) niet in de weg stond.

5.5. De Raad zal de uitspraak van de rechtbank, en het besluit van 26 juni 2007, vernietigen voor zover het gaat om de ingangsdatum van de halfwezenuitkering. De Svb zal worden opgedragen dienaangaande een nieuw besluit te nemen.

5.6. De Raad zal de Svb op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand en € 23,-- aan reiskosten, in totaal € 345,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak ten aanzien van de ingangsdatum van de halfwezenuitkering;

Verklaart het beroep in zoverre gegrond en vernietigt het besluit van 26 juni 2007 in zoverre;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in hoger beroep ter grootte van € 345,--, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank het betaalde griffierecht ad € 106,-- aan appellant vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M. Pijper.

E.L.S.