Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
07-4476 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Bij de schatting betrokken functies liggen binnen de functionele mogelijkheden van appellant. In de fase van hoger beroep is een adequate toelichting gegeven op de in de functies voorkomende belasting. Geen onjuiste berekening blijkens welke een reductiefactor van 38/40 voor het arbeidongeschiktheidspercentage geen verschil maakt. Vernietiging aangevallen uitspraak en bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/ 4476 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 29 juni 2007, 06/7728 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juli 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere (medische) stukken ingediend waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Koot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee is besloten het onderzoek te heropenen.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv nadere stukken in het geding gebracht, waaronder een rapport van bezwaararbeidsdeskundige H. de Rooy van 24 april 2009.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als agrarisch medewerker potplanten voor 40 uur per week. In verband met psychische klachten is hem met ingang van 4 juli 1991 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In 2005 heeft in het kader van een herbeoordeling met toepassing van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de resultaten van dat onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 april 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 21 juni 2006 ingetrokken.

1.3. Bij besluit van 28 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 20 april 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de stukken moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellant niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. De rechtbank achtte het onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig. De rechtbank heeft hierbij van belang geacht dat de verzekeringsarts een expertise heeft laten verrichten door een deskundig psychiater. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien appellant te volgen in zijn standpunt dat de expertise niet naar behoren zou zijn uitgevoerd en dat de diagnose dan wel de conclusie niet op juiste gronden gebaseerd zou zijn. Voorts overweegt de rechtbank dat door appellant geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat bij de vaststelling van appellants (psychische) belastbaarheid onvoldoende rekening is gehouden met zijn psychische klachten.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende functies voldoende gemotiveerd is. Nu eerst in beroep een toereikende arbeidskundige onderbouwing is gegeven, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, doch aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellant heeft in hoger beroep argumenten tegen zowel de medische als arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit aangevoerd.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Gelet op de inhoud van het hoger beroep stelt de Raad allereerst vast dat appellant in hoger beroep is gekomen van de aangevallen uitspraak voor zover daarbij door de rechtbank is geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.3. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank en het door haar daarop gebaseerde oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit en maakt die tot de zijne. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn standpunt dat de medische beoordeling dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a en b van het Schattingsbesluit. Voor wat betreft de argumenten van appellant ten aanzien van het rapport van psychiater IJsselstein merkt de Raad, in aanvulling op hetgeen door de rechtbank hieromtrent al is overwogen, op dat uit het rapport van psychiater IJsselstein blijkt dat hij op de hoogte was van de inname van medicatie door appellant. Dit feit heeft hij bij de totstandkoming van zijn conclusie meegewogen. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit het rapport voorts niet, anders dan de appellant kennelijk meent, dat de psychiater van oordeel is dat ten aanzien van appellant op de in geding zijnde datum een urenbeperkingen dient te gelden. Uit de door de psychiater beschreven mogelijkheden tot behandeling kan dit niet worden afgeleid.

4.4. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat, gezien de toelichting in de diverse in dit geding aanwezige arbeidskundige rapportages, waaronder het in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige, de bij de schatting betrokken functies binnen de functionele mogelijkheden van appellant liggen.

4.5. Nu het Uwv eerst in de fase van hoger beroep een adequate toelichting heeft gegeven op de in de functies voorkomende belasting in relatie tot de beperkingen van appellant, dienen zowel de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten als het bestreden besluit te worden vernietigd.

4.6. Omdat appellant bij het bestreden besluit terecht minder dan 15% arbeidongeschikt is geacht, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand te laten.

4.7. Wat betreft de stelling van appellant dat ten onrechte geen reductiefactor is toegepast aangezien hij in zijn maatman 40 uur per week werkte en de schatting gebaseerd is op functies met een werkweek van 38 uur, wijst de Raad op de in zoverre niet bestreden, en naar het oordeel van de Raad niet onjuiste, berekening in het verweerschrift van het Uwv blijkens welke een reductiefactor van 38/40 voor het arbeidongeschiktheidspercentage geen verschil maakt. Deze stelling kan appellant mitsdien niet baten.

5. Gelet op het vorenstaande acht de Raad termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bedee in tegenwoordigheid van

I.R.A. van Raaij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009.

(get.) H. Bedee

(get.) I.R.A. van Raaij

EV