Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2885

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
08-6083 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking verstrekking van werkvoorziening in eigendom. Zoals de Raad heeft overwogen (CRvB 5 juni 2003, LJN AN8625 en CRvB 30 juli 2008, LJN BD9312), komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen. De Raad overweegt dat het voor appellant, kenbaar was dat aan het besluit van 8 februari 2008 een onjuiste vooronderstelling ten grondslag lag, te weten dat de werkvoorziening in bruikleen reeds was gerealiseerd. Daarnaast wijst de Raad op zijn uitspraak van 24 januari 2007 (04/7258 REA) waarin is geoordeeld dat het Uwv niet gehouden was de werkvoorziening in eigendom te verstrekken. De Raad wijst er op dat het Uwv de fout met bekwame spoed heeft gecorrigeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/315
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6083 REA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2008, 08/2155 en 08/1785 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 30 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2009. Appellant is - daartoe opgeroepen - in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich - daartoe opgeroepen - laten vertegenwoordigen door F. Meijer, werkzaam bij het Uitvoeringinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij primair besluit van 7 mei 2002, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 27 november 2002, heeft het Uwv appellant op grond van artikel 31, eerste lid, van de Wet REA in aanmerking gebracht voor een werkvoorziening in de vorm van een telewerk installatie (hierna: werkvoorziening) in bruikleen. Appellant heeft daartegen beroep ingesteld omdat hij meende dat de werkvoorziening aan hem in eigendom moest worden gegeven. Het beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 22 november 2004 (03/68 REA) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het door het Uwv gevoerde beleid van verstrekking van werkvoorzieningen in eigendom dan wel in bruikleen niet onredelijk is. De rechtbank heeft in de voorwaarden onder welke de voorziening wordt verstrekt geen aanknopingspunt gezien voor het oordeel dat het besluit van 27 november 2002 onrechtmatig zou zijn. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld in artikel 31, eerste lid, onder d, van de Wet REA geen verbod of belemmering te lezen om de voorziening in bruikleen te verstrekken. In hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 24 januari 2007 de uitspraak van de rechtbank van 22 november 2004 bevestigd.

1.2. Bij brieven van 10 april 2007 en 11 mei 2007 heeft appellant het Uwv verzocht om de werkvoorziening te realiseren. Vervolgens heeft het Uwv bij brief van 21 december 2007 aan appellant medegedeeld dat de aan appellant in bruikleen verstrekte computer per direct in eigendom zal worden verstrekt. Daarbij is aangegeven dat de voorwaarden van bruikleen vervallen, waardoor geen reparatiekosten meer zullen worden vergoed.

1.3. Vervolgens heeft appellant op 11 januari 2008 in reactie daarop aangegeven dat de werkvoorziening, die in 2002 is toegekend, nooit (daadwerkelijk) aan hem is verstrekt. Daarnaast heeft hij benadrukt dat in het geval het Uwv bedoeld heeft aan hem een werkvoorziening in eigendom te verstrekken hij dat een zeer positieve ontwikkeling vindt.

1.4. Op 8 februari 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat de brief van 21 december 2007 ten onrechte was gebaseerd op het uitgangspunt dat de voorziening daadwerkelijk in bruikleen was verstrekt. Om die reden dient appellant de brief van 21 december 2007 als niet geschreven te beschouwen.

1.5. Bij besluit van 29 april 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de brief van 8 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat de brief van 8 februari 2008 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat deze niet op rechtsgevolg is gericht.

1.6. Appellant heeft tegen het besluit van 29 april 2008 beroep ingesteld. Tevens is een voorlopige voorziening gevraagd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en - met gebruikmaking van zijn bevoegdheid op grond van artikel 8:86 van de Awb - het beroep tegen het besluit van 29 april 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft hij onder meer overwogen dat de brieven van 21 december 2007 en 8 februari 2008 niet zijn aan te merken als een toekenningsbesluit respectievelijk een intrekkingsbesluit. Beide brieven zijn niet gericht op wijziging van het in geding zijnde relevante rechtsgevolg, de toekenning van de werkvoorziening, en beogen niet de toegekende werkvoorziening aan te tasten.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

3.2. Het Uwv heeft in hoger beroep gepersisteerd bij het in het bestreden besluit neergelegde standpunt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt dat volgens vaste rechtspraak (CRvB 9 juni 2006, LJN AX8904) de voorzieningenrechter geen toestemming van partijen nodig heeft om gebruik te maken van zijn in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. Ook overigens ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voor een beoordeling ten gronde noodzakelijke gegevens waren immers in het dossier aanwezig. Voorts wijst de Raad er op dat de rechtbank in de kennisgeving voor de zitting partijen heeft meegedeeld dat de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting ook in de hoofdzaak uitspraak kan doen, indien hij van oordeel is dat verder onderzoek in de hoofdzaak niet nodig is.

4.2. Anders dan de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat de brief van 21 december 2007 waarbij het Uwv aan appellant heeft medegedeeld dat de toegekende werkvoorziening in eigendom aan hem wordt verstrekt en dat de voorwaarden van bruikleen komen te vervallen, wel als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb dient te worden aangemerkt. Deze mededeling is naar het oordeel van de Raad wel gericht op rechtsgevolg. Met deze brief werd immers door het Uwv beoogd de verstrekking in bruikleen van de werkvoorziening te wijzigen in verstrekking in eigendom. Dat het Uwv - naar achteraf bleek - zich daarbij heeft gebaseerd op onjuiste informatie, doet aan het besluitkarakter van de brief van 21 december 2007 niet af.

4.3. Evenzeer oordeelt de Raad dat - mede gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen - de in de brief van 8 februari 2008 vervatte mededeling dat de brief van 21 december 2007 als niet geschreven beschouwd dient te worden, gericht is op rechtsgevolg. Met de brief van 8 februari 2008 is beoogd de verstrekking van de werkvoorziening in eigendom in te trekken. Deze brief is mitsdien aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.4. Het besluit van 29 april 2008 komt derhalve voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het in stand is gelaten.

4.5. De Raad kan zelf in de zaak voorzien en overweegt daartoe het volgende.

4.5.1. Vast staat dat het Uwv bij het besluit van 8 februari 2008 er ten onrechte vanuit is gegaan dat de werkvoorziening in bruikleen in 2002 daadwerkelijk was gerealiseerd.

4.5.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 5 juni 2003, LJN AN8625 en CRvB 30 juli 2008, LJN BD9312), komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

4.5.3. Naar het oordeel van de Raad is onvoldoende reden aanwezig om te oordelen dat het Uwv met het besluit van 8 februari 2008 bovenstaande norm heeft geschonden.

De Raad overweegt daarbij dat het voor appellant, mede in het licht van zijn brief van 11 januari 2008, kenbaar was dat aan het besluit van 8 februari 2008 een onjuiste vooronderstelling ten grondslag lag, te weten dat de werkvoorziening in bruikleen reeds was gerealiseerd. Daarnaast wijst de Raad op zijn uitspraak van 24 januari 2007

(04/7258 REA) waarin is geoordeeld dat het Uwv niet gehouden was de werkvoorziening in eigendom te verstrekken. Ten slotte wijst de Raad er op dat het Uwv de fout met bekwame spoed heeft gecorrigeerd.

4.5.4. Het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2008 dient dus alsnog ongegrond te worden verklaard.

5. Gelet op het voorgaande wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding af.

6. Voor vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb is geen plaats omdat niet gebleken is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 april 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2008 ongegrond;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af;

Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en R. Kooper en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2009.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

E.L.S.