Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
08-4373WAO+08-5185WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Herziening WAO-uitkering. 2) Alsnog verhoging WAO-uitkering. Aangezien met bestreden besluit II niet geheel aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit I is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:19 eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen besluit II. De Raad overweegt ten aanzien van dit bestreden besluit als volgt. Met bestreden besluit II is alleen de arbeidskundige grondslag van de WAO-beoordeling gewijzigd. De medische grondslag is ongewijzigd gebleven. Gelet hierop dient bij de beoordeling van dit besluit ook de medische grondslag van bestreden besluit I en wat appellante in de loop van de procedure daartegen heeft ingebracht te worden betrokken. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de FML van 16 augustus 2007 voldoende rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. In arbeidskundig opzicht is de Raad van oordeel, dat appellante in staat moet worden geacht de voorgehouden functies te verrichten. De Raad constateert dat de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen zijn toegelicht op een wijze die de Raad begrijpelijk en overtuigend voorkomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4373 WAO en 08/5185 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 juni 2008, 07/102 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Winia, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep aangetekend.

Op 30 juli 2008 is ter uitvoering van de aangevallen uitspraak door het Uwv een nieuw besluit genomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009.

Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen mr. E.W. Huiskamp.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft op 6 juni 1995 haar werkzaamheden als inpakster/samensteller gestaakt. Per einde wachttijd ontvangt zij een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Per 8 april 2004 meldt zij zich toegenomen arbeidsongeschikt in verband met hoofdpijn, nekpijn, een doof gevoel van de vingers aan de linker hand en krachtsvermindering van de linker arm. Nadat verzekeringsarts R. Leboux appellante op 21 maart 2006 heeft onderzocht en haar beperkingen in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) heeft vastgelegd, selecteert arbeidsdeskundige W. Janssen vier functies tot het verrichten waarvan appellante in staat wordt geacht. Bij besluit van 24 mei 2006 wordt de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd,

5 april 2006, vastgesteld op 25 tot 35%.

2. Bij besluit van 12 december 2006 (betreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond tegen bestreden besluit I verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen bestreden besluit I gerichte beroep gegrond verklaard.

3.1. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om te veronderstellen dat de belastbaarheid van appellante niet juist is vastgesteld. Daartoe overweegt de rechtbank dat bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes in de brief van appellante van 11 juli 2007 aanleiding heeft gezien de eerder opgestelde FML op een tweetal punten aan te scherpen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat met de aangescherpte FML van 16 augustus 2007 de mogelijkheden van appellante zouden zijn overschat. Aangezien het bestreden besluit I pas in het stadium van beroep van een deugdelijke motivering is voorzien, verklaart de rechtbank het beroep gegrond.

3.2. De rechtbank ziet geen grond om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten vanwege het volgende. De rechtbank stelt vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid is gebaseerd op drie functies, namelijk machinaal metaalbehandelaar (sbc-code 264121), produktiemedewerker textiel, (sbc-code 272043) en schilder, spuiter (sbc-code 262170).

De rechtbank constateert dat bij deze laatste functie op de arbeidsmogelijkhedenlijst affiniteit met automatisering als ervaringsvereiste wordt vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank dient dit vereiste te worden opgevat als een voorwaarde om de functie te verkrijgen. Onweersproken is gesteld dat appellante een dergelijke affiniteit ontbeert. Om die reden kan de functie van schilder, spuiter met sbc-code 262170 niet aan de schatting te grondslag worden gelegd. Aangezien slechts twee functies resteren, berust de schatting op een onjuiste arbeidskundige grondslag en bestaat er geen aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, aldus de rechtbank.

4. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv op 30 juli 2008 een nieuwe besluit (bestreden besluit II) genomen. Hierbij is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 mei 2006 gegrond verklaard. In dit kader heeft bezwaararbeidsdeskundige C.P.M. Harren op 24 juli 2008 een eerder geselecteerde functie mede aan de schatting ten grondslag gelegd. De schatting berust nu op de voorgehouden functies van machinaal metaalbehandelaar en produktiemedewerker textiel, alsmede op de functie van chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101). Aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid 35 tot 45% bedraagt, heeft het Uwv in bestreden besluit II beslist dat de WAO-uitkering per 5 april 2006 naar die mate van arbeidsongeschikt wordt herzien.

5. In hoger beroep is namens appellante onder meer aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit de in de MRI-scan van april 2004 aangetoonde hernia.

6. Aangezien met bestreden besluit II niet geheel aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit I is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:19 eerste lid en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen besluit II. De Raad overweegt ten aanzien van dit bestreden besluit als volgt.

6.1. Met bestreden besluit II is alleen de arbeidskundige grondslag van de WAO-beoordeling gewijzigd. De medische grondslag is ongewijzigd gebleven. Gelet hierop dient bij de beoordeling van dit besluit ook de medische grondslag van bestreden besluit I en hetgeen appellante in de loop van de procedure daartegen heeft ingebracht te worden betrokken.

6.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de FML van 16 augustus 2007 voldoende rekening is gehouden met de bij appellante bestaande beperkingen. De Raad constateert dat verzekeringsarts Leboux blijkens zijn rapport van 21 maart 2006 kennis heeft genomen van de voorhanden zijnde informatie van de behandelende sector en mede op basis daarvan appellante aangewezen heeft geacht op fysiek weinig belastende werkzaamheden; zij wordt met name beperkt geacht ten aanzien van locomotore belasting van nek en arm. Dit is ook in de door verzekeringsarts Leboux opgestelde FML tot uitdrukking gebracht, waar een beperking is aangenomen op item 3.5 en 3.8. De stelling dat uit de rapportage van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet blijkt dat rekening is gehouden met de MRI-scan van april 2004, kan de Raad niet volgen. In dat kader overweegt de Raad dat bezwaarverzekeringsarts Heijltjes in zijn rapport van 16 augustus 2007 ingaat op de brief van het ziekenhuis Oost Limburg te Genk van 27 april 2004, waarin de bevindingen van het MRI-onderzoek zijn neergelegd en appellante het voordeel van de twijfel geeft door de FML op een tweetal punten aan te scherpen. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden bevestigd.

6.3. In arbeidskundig opzicht is de Raad van oordeel, dat appellante in staat moet worden geacht de onder punt 4 genoemde functies te verrichten. De Raad constateert dat de bij de geselecteerde functies voorkomende signaleringen zijn toegelicht op een wijze die de Raad begrijpelijk en overtuigend voorkomt. Nu de Raad ook overigens niet is gebleken dat de geselecteerde functies niet passend zouden zijn, leidt het voorgaande tot de slotsom dat de appellante per 5 april 2006 terecht 35 tot 45% arbeidsongeschikt is beschouwd in het kader van de WAO.

6.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond is.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 30 juli 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en P.J. Jansen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2009.

(get.) C.P.J. Goorden

(get.) E.M. de Bree

EV