Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2814

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
07-4788 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herberekening en terugvordering ziekengeld. De Raad: De omstandigheid dat van de zijde van het Uwv een omissie is gemaakt, kan op zichzelf geen dringende reden opleveren, aangezien deze de oorzaak van de terugvordering is en niet behoort tot de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Nu de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat in fiscale zin is afgesloten, is het Uwv naar het oordeel van de Raad op goede gronden tot terugvordering van de bruto onverschuldigd betaalde uitkering overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/4788 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 juni 2007, 07/111 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2009. Appellante is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.W. Huiskamp.

II. OVERWEGINGEN

1. Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 14 maart 2005 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. In april 2006 heeft het Uwv een herberekening van de uitkering gemaakt, waaruit bleek, dat over de periode 1 april 2005 tot en met 31 december 2005 een bedrag van € 31,80 te weinig was uitbetaald. In plaats van nabetaling van dat bedrag heeft het Uwv blijkens een inkomensoverzicht van 21 april 2006 een bedrag van € 9.297,28 bruto aan appellante uitgekeerd. Bij besluit van 14 juli 2006 heeft het Uwv een bedrag van bruto € 9.265,48 van appellante teruggevorderd, onder de overweging dat dit onverschuldigd was betaald.

2. Appellante heeft in bezwaar aangevoerd, dat bij de berekening van het terugvorderingsbedrag rekening had moeten worden gehouden met twee maanden waarover zij geen uitkering zou hebben ontvangen. Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld, dat volstaan had moeten worden met terugvordering van het netto onverschuldigd betaald bedrag, nu haar van het ontstaan van de terugvordering geen verwijt kon worden gemaakt. Het bezwaar is bij besluit van 28 november 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken, dat appellante gedurende twee maanden geen uitkering ingevolge de ZW heeft ontvangen. Verder heeft de rechtbank vastgesteld, dat het Uwv op grond van het bepaalde in artikel 33 van de ZW in beginsel verplicht is onverschuldigd verrichte betalingen terug te vorderen en slechts ingeval van een dringende reden bevoegd is om van terugvordering af te zien. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad is naar het oordeel van de rechtbank voor beantwoording van de vraag of sprake is van een dringende reden niet relevant hoe de onverschuldigde betaling is ontstaan. De rechtbank constateert dat niet gesteld of gebleken is, dat sprake is geweest van een dringende reden op grond waarvan van terugvordering zou moeten worden afgezien. Tot slot overweegt de rechtbank dat het appellante, gezien de hoogte van het ten onrechte ontvangen bedrag, duidelijk had kunnen zijn dat dit bedrag onjuist was. Appellante had in 2005 kunnen terugbetalen en in dat geval kunnen volstaan met betaling van het netto onverschuldigd betaalde bedrag. Nu dat niet is gebeurd heeft het Uwv het onverschuldigd betaalde bedrag naar het oordeel van de rechtbank terecht bruto teruggevorderd.

4. In hoger beroep zijn de eerder aangevoerde grieven herhaald.

5.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of aan appellante in april 2006 onverschuldigd uitkering ingevolge de ZW is betaald en of het Uwv het onverschuldigd betaalde bedrag van € 9.265,48 bruto op goede gronden van appellante heeft teruggevorderd.

5.2. De Raad beantwoordt deze vragen bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.3. Uit de door het Uwv overgelegde gegevens, in het bijzonder de inkomensoverzichten van 21 februari 2006 en 21 april 2006 en het jaaroverzicht over 2005 en 2006, waarop het recht op en de uitbetaling van de ZW-uitkering is vermeld, kan worden afgeleid, dat aan appellante in april 2006 onverschuldigd uitkering ingevolge de ZW is betaald.

Op grond van het bepaalde in artikel 33 van de ZW is het Uwv in een situatie als het onderhavige verplicht, om hetgeen “anderszins onverschuldigd is betaald” in de zin van het eerste lid van voormeld artikel terug te vorderen.

5.4. Aan de stelling van appellante, dat het Uwv over twee maanden geen uitkering ingevolge de ZW heeft uitbetaald dient naar het oordeel van de Raad voorbijgegaan te worden, nu appellante niet heeft kunnen verduidelijken over welke maanden een betaling zou zijn uitgebleven en hiervan ook overigens uit de beschikbare gegevens niet is gebleken.

5.5. Ingevolge artikel 33, vierde lid, van de ZW kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad heeft overwogen, kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De omstandigheid dat van de zijde van het Uwv een omissie is gemaakt, kan op zichzelf geen dringende reden opleveren, aangezien deze de oorzaak van de terugvordering is en niet behoort tot de gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft.

Nu de terugvordering betrekking heeft op een tijdvak dat in fiscale zin is afgesloten, is het Uwv naar het oordeel van de Raad op goede gronden tot terugvordering van de bruto onverschuldigd betaalde uitkering overgegaan.

5.6. Uit hetgeen hiervoor onder 5.3 tot en met 5.5 is overwogen volgt, dat het hoger beroep van appellante niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter, P.J. Jansen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) E.M. de Bree.

JL