Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2801

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
08/2909 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Maatmanloon. Verlies verdiencapaciteit minder dan 35%. Zorgvuldig medisch onderzoek. belastbaarheid functies past binnen de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Appellant heeft geen nadere medische stukken ingebracht om zijn stellingen te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/2909 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 maart 2008, 07/1857 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 oktober 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat hij na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 20 augustus 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op 20 augustus 2006 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 35%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en heeft vastgesteld dat de belastbaarheid in de aan appellant voorgehouden functies past binnen de opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).

3. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van het hoger beroepschrift overweegt de Raad nog het navolgende.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zijn eerdere bezwaren tegen de medische beoordeling herhaald. Voorts heeft hij aangegeven dat in december 2005 de diagnose ‘syndroom van Tietze’ bij hem is gesteld. De bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn heeft in een rapport van 11 juli 2008 de volgende beschrijving van dit syndroom gegeven:

“Het syndroom van Tietze omvat een circumscripte pijnlijke zwelling van de kraakbeenovergang van de rib (meestal 2 of 3) naar het borstbeen, welke pijn normaliter spontaan verdwijnt. Oorzaak is niet bekend.”

3.1.1. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport de volgende reactie gegeven op de aangevoerde grief over het hiervoor genoemde syndroom:

“Belanghebbende is bekend met wisselende pijnklachten in lendenstreek en thorax, niet duidelijk te localiseren of somatisch te bepalen. Aangezien het syndroom van Tietze een duidelijke localisatie heeft met name hoog voor op de thorax en selflimiting is (is) deze diagnose niet te koppelen aan het klachtenpatroon van belanghebbende dat een wezenlijk ander karakter heeft.”

3.1.2. De bezwaarverzekeringsarts concludeert hieruit dat de aangegeven diagnose medisch gezien niet past bij het klachtenpatroon van appellant.

3.2. De Raad ziet geen aanknopingspunten in het dossier om deze conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. Appellant heeft geen nadere medische stukken ingebracht om zijn stellingen te onderbouwen. Naar het oordeel van de Raad is er daarom geen reden om aan te nemen dat de beperkingen zoals die in de FML zijn vastgelegd zijn onderschat en dat appellant de aan hem voorgehouden functies niet zou kunnen verrichten.

3.3. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009.

(get.) J.P.M. Zeijen

(get.) E.M. de Bree

EV