Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2799

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-07-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
07-6594 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres. Anders dan het College en de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Hoe (...) appellant zijn leefgedrag ten aanzien van voedselvoorziening, hygiëne en vrijetijdsbesteding heeft ingericht, en wiens hulp en diensten hij daarbij inroept, is op zichzelf niet van doorslaggevend belang voor de vraag of hij op het opgegeven adres woont.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

07/6594 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 2 november 2007, 07/3941 en 07/4624 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.P.F. Arens, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2009. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F.J.W. de Bruijn, werkzaam bij de gemeente Tilburg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 24 juli 2007 een aanvraag om bijstand gedaan naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Omdat er op basis van de door appellant verstrekte gegevens het vermoeden van postadresfraude was gerezen, heeft het College een onderzoek ingesteld naar onder meer de woonsituatie van appellant. Daarbij is het bevolkingsregister geraadpleegd, zijn twee huisbezoeken afgelegd en zijn waarnemingen verricht. Hiervan is een rapport uitkeringsfraude opgemaakt.

1.3. Bij besluit van 5 september 2007 heeft het College de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet woont op het door hem opgegeven adres.

1.4. Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonachtig is.

2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 oktober 2007 met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van de voor dit geding relevante wettelijke bepalingen, te weten artikelen 11, eerste lid, 17, eerste lid, en 40, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Voor de vaststelling van het recht op bijstand is de woonsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. De vraag waar iemand woont, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellant heeft gesteld dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op [adres] te Tilburg. Nu het hier een aanvraagsituatie betreft, moet appellant aannemelijk maken dat hij daadwerkelijk aldaar zijn hoofdverblijf had.

4.3. Appellant heeft bij zijn aanvraag een huurovereenkomst en kwitanties van huurbetalingen overgelegd. Voorts blijkt uit zijn financiële administratie dat hij op het opgegeven adres zijn bankafschriften en de correspondentie van de UWV ontving, en dat dit adres bij zijn werkgevers als woonadres bekend was. Ook voor het College bleek appellant op dit adres vrijwel onmiddellijk schriftelijk bereikbaar. Bij het gesprek voorafgaande aan het huisbezoek beschikte appellant over de sleutels van voor- en kamerdeur van de woning. Met deze sleutels verschafte hij zich ook toegang. Bij het huisbezoek bleek de kamer van appellant gemeubileerd. Er bleek enige kleding aanwezig, scheerspullen en een tandenborstel, alsmede een fles water en sinas in de koelkast, en een pak biscuitjes boven op de koelkast.

4.4. Anders dan het College en de voorzieningenrechter van de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Dat het bed er niet beslapen uitzag, dat er geen vuile was of ondergoed werd aangetroffen, er nauwelijks voedselvoorraden of -resten werden gevonden, en dat de televisie niet was aangesloten, doet hieraan niet af. Dat geldt ook voor de omstandigheden dat de auto van appellant niet in de onmiddellijke omgeving van de woning werd aangetroffen en dat hij zijn kasopnames in een ander deel van Tilburg doet dan waar de woning is gelegen. Hoe immers appellant zijn leefgedrag ten aanzien van voedselvoorziening, hygiëne en vrijetijdsbesteding heeft ingericht, en wiens hulp en diensten hij daarbij inroept, is op zichzelf niet van doorslaggevend belang voor de vraag of hij op het opgegeven adres woont.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 25 oktober 2007 een draagkrachtige motivering ontbeert. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak, voor zover die in hoger beroep is aangevochten, dient te worden vernietigd, het beroep dient gegrond worden verklaard en het besluit van 25 oktober 2007 moet vernietigd te worden wegens schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

4.6. De Raad ziet geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten, omdat blijkens de onder 1.2 genoemde rapportage niet zonder meer valt uit te sluiten dat andere afwijzingsgronden bestaan. Het College dient daarom een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 25 oktober 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Tilburg;

Bepaalt dat de gemeente Tilburg aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2009.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B.E. Giesen.

E.L.S.