Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
17-07-2009
Zaaknummer
07-3781 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Afwijzing (herhaalde) aanvraag om toekenning WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Het Uwv heeft terecht geweigerd om appellant met toepassing van artikel 43a, eerste lid, van de WAO voor een uitkering in aanmerking te brengen. Gezien de afwezigheid van een toename van de psychische beperkingen als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO is terecht niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten. Nu er in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding is de redelijke termijn voor de procedure als geheel ten tijde van de aangevallen uitspraak op meer dan twee jaar te stellen had de rechtbank aan een en ander de gevolgtrekking moeten verbinden dat ten tijde van de aangevallen uitspraak de redelijke termijn was geschonden door het bestuursorgaan. Nu niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, leidt dit tot de conclusie dat de rechtbank het Uwv had moeten veroordelen tot vergoeding van schade ter hoogte van drie maal € 500, -, dat is € 1.500, -. De rechtbank had daartoe het bestreden besluit moeten vernietigen, terwijl er aanleiding was de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3781 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

Op het hoger beroep van:

[Appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 mei 2007, 06/2666 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009. Namens appellant is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij.

1.2. Appellant heeft in 1992 zijn werk als productiemedewerker gestaakt ten gevolge van duizelingen, sombere gevoelens en rugklachten. Het Uwv heeft met ingang van 26 april 1993 aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 14 november 1996 heeft het Uwv de uitkeringen van appellant met ingang van 9 december 1995 ingetrokken, omdat hij op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

Naar aanleiding van het beroep van appellant tegen dit besluit heeft de rechtbank de deskundige R.G. van ’t Hof verzocht appellant in Marokko te onderzoeken en verslag te doen van zijn bevindingen. De zenuwarts heeft in zijn rapport van 22 januari 1998 geconcludeerd dat hij ten aanzien van appellant nauwelijks een medische diagnose kon stellen, hoogstens wat neurasthene klachten met daarop een aggraverend gedrag.

Voorts blijkt uit het rapport dat de zenuwarts zich heeft kunnen verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid en de geschiktheid van appellant voor de hem voorgehouden functies. De rechtbank heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van deze deskundige en heeft het beroep tegen het besluit van 14 november 1996 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 augustus 2000 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.4. Op 5 oktober 2000 heeft appellant het Uwv wederom verzocht om toekenning van een WAO-uitkering. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een herhaalde aanvraag en heeft bij besluit van 13 maart 2001 de aanvraag met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.

1.5. In bezwaar tegen dit besluit, door het Uwv ontvangen op 23 april 2001, is namens appellant verzocht zijn aanspraken te beoordelen in het licht van artikel 43a van de WAO. Ter onderbouwing van het standpunt dat sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid zijn onder meer een tweetal medische verklaringen overgelegd, waarin is vermeld dat appellant sinds 5 oktober 1998 en 10 september 1999 in het ziekenhuis is opgenomen in verband met ‘syndrome depressif’.

1.6. Bij besluit op bezwaar van 27 juni 2002 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2001 ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om van het besluit van 14 november 1996 terug te komen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 september 2003 het beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 juni 2002 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

1.7. In het kader van het verzoek op grond van artikel 43a, eerste lid, van de WAO is appellant in oktober 2003 op verzoek van het Uwv in Marokko onderzocht door algemeen arts F. Lamouri, orthopedisch chirurg R. Nazih en psychiater A.F. Merini. Volgens psychiater Merini heeft appellant herhaalde depressies. Op basis van de bevindingen van voornoemde artsen heeft de algemeen arts Lamouri in zijn onderzoeksrapportage geconcludeerd dat bij appellant sprake is van chronische angst- en depressieve gevoelens en voorts dat sprake is van restverschijnselen van een ernstige hernia.

1.8. Op 1 maart 2004 is namens appellant bij het Uwv een bezwaarschrift ingediend.

Het bezwaar is gericht tegen het uitblijven van een besluit op het verzoek om toepassing van artikel 43a van de WAO.

1.9. Vervolgens heeft een verzekeringsarts van het Uwv na kennisneming van de rapporten uit Marokko van oktober 2003 geconcludeerd dat geen uitspraak kan worden gedaan of appellant meer dan vier weken onafgebroken en toegenomen arbeidsongeschikt is geweest. Daarbij heeft de verzekeringsarts in aanmerking genomen dat er tegenstrijdige gegevens zijn en voorts dat de duur van de ziekenhuisopnames niet bekend is. Voor een zorgvuldige voorbereiding dient appellant volgens de verzekeringsarts te worden opgeroepen voor een onderzoek in Nederland.

1.10. Op verzoek van een verzekeringsarts van het Uwv is appellant vervolgens in januari 2005 in Nederland onderzocht door psychiater W.J. Lubberding, orthopeed A.J.J. Marissen en neuroloog dr. J. Vos. Op basis van de bevindingen van deze artsen en op basis van eigen onderzoek van appellant heeft de verzekeringsarts T. Njoo in zijn onderzoeksrapport van 7 maart 2005 aangegeven dat de bevindingen van psychiater Lubberding globaal overeenkomen met de bevindingen in het rapport van zenuwarts Van ’t Hof van 22 januari 1998. Daarbij is aangegeven dat appellant non-verbaal heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het onderzoek en slechts deels coöperatief is. De indruk bestaat dat er geen sprake is van een psychotisch of angstig toestandsbeeld. Psychiater Lubberding heeft zich onthouden van een diagnose omtrent het bestaan van een depressieve stoornis. Tijdens het onderzoek door de verzekeringsarts was wel sprake van een coöperatieve houding van appellant en van communicatie met hem. De indruk van de verzekeringarts is dat appellant over het algemeen adequaat en coherent reageert en dat van psychopathologie waarbij het denken en de cognities in ernstige mate zijn aangetast, geen sprake is. Gezien de nagenoeg ongewijzigde presentatie tijdens de psychiatrische onderzoeken in 1998 en in 2005 en de eigen bevindingen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er op het psychisch vlak geen aanwijzingen dan wel vermoedens zijn dat er sprake is van een blijvende dan wel langer dan vier weken bestaande verergering dan wel wijziging van de beperkingen op en na 9 december 1995. Voorts heeft deze arts geconcludeerd dat sinds 1 januari 2002 sprake is van een toename van rugklachten waardoor de belastbaarheid van appellant per voornoemde datum is afgenomen. De toename van de beperkingen ten gevolge van de rugklachten valt echter buiten de vijf-jaarstermijn na de laatste herziening, waardoor artikel 43a van de WAO daarop niet van toepassing is. Tot slot heeft de verzekeringsarts de beperkingen van appellant opgenomen in een Functionele Mogelijkheden Lijst.

1.11. Bij besluit van 30 juni 2005 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen waardoor appellant niet toegenomen arbeidsongeschikt wordt geacht en dat de uitkering niet wordt heropend. Bij besluit op bezwaar van 18 november 2005 heeft het Uwv in navolging van het advies van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer dit besluit gehandhaafd.

1.12. Hangende het beroep tegen het besluit van 18 november 2005 heeft het Uwv een aanvullend besluit op bezwaar van 27 januari 2006 genomen, waarbij het bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op appellants aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 18 november 2005 geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 27 januari 2006, het beroep tegen beide besluiten ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat medische onderzoeken van appellant voldoende gegevens bieden voor een afgewogen oordeel omtrent de gestelde klachten en beperkingen op het psychische vlak. Ten aanzien van de opname van appellant in 1998 in verband met psychische klachten is niet duidelijk hoe lang deze opname heeft geduurd, wat de bevindingen zijn geweest en hoe lang het beeld van acute psychische klachten heeft bestaan. De rechtbank volgt het standpunt van het Uwv ten aanzien van de medische beperkingen op het psychische vlak in 1998. Ten aanzien van de toename van de rugklachten heeft de rechtbank overwogen dat deze toename niet heeft plaatsgevonden binnen vijf jaar na 9 december 1995 en daarom bij de beoordeling op grond van artikel 43a, eerste lid, van de WAO buiten beschouwing blijven. Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van het beroep op schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vastgesteld dat deze grief zich uitsluitend richt tegen het aandeel van het bestuurorgaan in de procedure.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM niet is overschreden, nu sinds de datum van indiening van het bezwaarschrift tegen het besluit van 30 juni 2005 minder dan vijf maanden zijn verstreken. Tot slot heeft de rechtbank met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb het beroep mede gericht geacht tegen het besluit op bezwaar van 27 januari 2006 en heeft overwogen dat het beroep tegen dat besluit niet is onderbouwd.

3. In hoger beroep is namens appellant herhaald dat op basis van de stukken sprake is van toename van psychische klachten en beperkingen, waarbij is betoogd dat in plaats van psychiater Lubberding het standpunt van psychiater Merini gevolgd dient te worden.

Ook zou ten onrechte geen arbeidskundige beoordeling hebben plaatsgevonden. Voorts is verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de bestuurlijke fase. In dat verband is aangevoerd dat de beoordeling van appellants arbeidsongeschiktheid in het kader van artikel 4:6 van de Awb en artikel 43a van de WAO als samenhangende zaken dienen te worden beschouwd, en dat appellant op 20 april 2001 voor het eerst is opgekomen tegen het uitblijven van een besluit. Subsidiair wordt betoogd dat de termijn is aangevangen bij de ontvangst van het bezwaarschrift van 1 maart 2004 gericht tegen het uitblijven van een besluit inzake het verzoek van appellant op grond van artikel 43a van de WAO.

Tot slot is gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken ten aanzien van het beroep tegen het besluit op bezwaar van 27 januari 2006.

4.1. De Raad overweegt als volgt, waarbij de besluiten van 30 juni 2005 en 18 november 2006 tezamen worden aangeduid als bestreden besluit.

4.2. In hoger beroep is in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant met toepassing van artikel 43a, eerste lid, van de WAO voor een uitkering in aanmerking te brengen. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat in het geval van appellant geen sprake is van een toename van de psychische klachten en beperkingen binnen vijf jaar na intrekking van de uitkeringen.

4.3. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten om de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. Voor het volgen van het advies van psychiater Merini van oktober 2003, zoals namens appellant is bepleit, ziet de Raad geen aanleiding. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellant in januari 2005 in Nederland is onderzocht, omdat er sprake was van een discrepantie tussen de gegevens verkregen uit het onderzoek in Marokko in 2002 en de psychiatrische expertise door Van ’t Hof in 1998. Appellant is hierbij onderzocht door een orthopeed, psychiater, neuroloog en door een verzekeringsarts, welk medisch onderzoek naar het oordeel van de Raad zorgvuldig en volledig is geweest. De overgelegde verklaringen van ziekenhuisopnames in 1998 en 1999 hebben de Raad evenmin tot een ander oordeel geleid, nu uit deze verklaringen niet naar voren komt hoe lang de opnames hebben geduurd.

4.4. Naar het oordeel van de Raad is het Uwv in het onderhavige geval, gezien de afwezigheid van een toename van de psychische beperkingen als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de WAO terecht niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten.

4.5. Gelet op het vorenstaande onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant met toepassing van artikel 43a, eerste lid, van de WAO voor een uitkering in aanmerking te brengen.

4.6. Ten aanzien van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, in de bestuurlijke fase, overweegt de Raad het volgende.

4.7. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

4.8. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 4.7 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

4.9. In lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2009 (LJN BH4667) is de Raad van oordeel dat in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank daarover een oordeel dient te geven, uitgaande van de onder 4.8 genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep. Uit de daar genoemde uitspraak van 26 januari 2009 volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt.

4.10. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. De redelijke termijn vangt aan met de ontvangst door het Uwv op 2 maart 2004 van het bezwaarschrift van appellant tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek toepassing te geven aan artikel 43a van de WAO. De Raad ziet geen aanleiding om uit te gaan van de ontvangst op 23 april 2001 van appellants bezwaarschrift tegen de weigering door het Uwv om terug te komen van het besluit van 14 november 1996, welke procedure is beëindigd met de uitspraak van de rechtbank van 4 september 2003.

4.11. Vanaf 2 maart 2004 tot de datum van de aangevallen uitspraak 10 mei 2007, zijn drie jaar en twee maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv twee jaar en ruim tien maanden geduurd. Hierbij tekent de Raad onder verwijzing naar zijn uitspraak van 23 april 2009 (LJN BI3430) in de eerste plaats aan dat de periode vanaf het instellen van beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar tot de dag na de datum van het besluit op bezwaar in beginsel voor rekening van het bestuursorgaan komt. In de tweede plaats merkt de Raad op dat de besluitvorming op bezwaar eerst met het besluit van 27 januari 2006 geheel was afgerond. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 28 december 2005 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank een jaar en bijna vijf maanden geduurd. Nu er in de feiten en omstandigheden van het geval geen aanleiding is de redelijke termijn voor de procedure als geheel ten tijde van de aangevallen uitspraak op meer dan twee jaar te stellen had de rechtbank aan een en ander de gevolgtrekking moeten verbinden dat ten tijde van de aangevallen uitspraak de redelijke termijn was geschonden door het bestuursorgaan.

4.12. Nu niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, leidt dit tot de conclusie dat de rechtbank het Uwv had moeten veroordelen tot vergoeding van schade ter hoogte van drie maal € 500,--, dat is € 1.500,--. De rechtbank had daartoe het bestreden besluit moeten vernietigen, terwijl er aanleiding was de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad alsnog zo beslissen.

4.13. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van de Raad op 2 juli 2007 tot de datum van deze uitspraak nagenoeg twee jaar geduurd. Derhalve is geen sprake van een te lange behandelingsduur door de Raad.

5. Tot slot ziet de Raad aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,-- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

E.L.S.