Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
16-07-2009
Zaaknummer
08-2984 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand. Inkomsten uit arbeid. Misbruik sofinummer? In zijn uitspraken van 7 april 2009, LJN BI1928 en van 12 mei 2009, LJN BI4343, heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat het uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de aan het College als bestuursorgaan ter beschikking staande onderzoeksmogelijkheden op de weg van het College ligt om in het kader van het onderzoek naar een belastingsignaal bij het uitzendbureau als werkgever naast de loongegevens ook de naam van de inlener op te vragen. Op grond van een en ander is de Raad met appellante van oordeel dat het College te kort geschoten in de voldoening aan de op hem rustende onderzoeksplicht.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 17
Participatiewet 54
Participatiewet 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/253

Uitspraak

08/2984 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 april 2008, nr. 07/1300 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K. Buck, advocaat te Den Helder, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Buck. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontvangt sinds 19 maart 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een opgave van het inlichtingenbureau, dat appellante in de periode van 11 augustus 2003 tot en met 19 september 2003 inkomsten zou hebben ontvangen via het uitzendbureau [uitzendbureau] (hierna: [uitzendbureau]), heeft het College een onderzoek ingesteld. In dat kader is looninformatie opgevraagd bij [uitzendbureau]. De door [uitzendbureau] verstrekte salarisspecificaties vermelden de naam en het sofinummer van appellante, en zijn geadresseerd aan [adres]. Volgens die specificaties heeft indienstreding plaatsgevonden op 11 augustus 2003 en uitdienstreding op 19 september 2003; verder worden daarin 20 augustus 2003 als begindatum en 23 september 2003 als einddatum genoemd en het betaalde netto-loon gespecificeerd.

1.3. Op basis van deze informatie heeft het College bij besluit van 20 december 2005 de bijstand van appellante over de maanden augustus en september 2003 herzien op de grond dat zij het College niet of niet behoorlijk ervan op de hoogte heeft gebracht dat zij inkomsten uit arbeid via [uitzendbureau] heeft ontvangen. Bij dat besluit heeft het College tevens de kosten van de aan appellante over deze maanden verleende bijstand tot een bedrag van € 1.310,80 teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 16 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen over de vergoeding van griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 16 april 2007 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de grond dat het is gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag. De rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit heeft de rechtbank in stand gelaten omdat naar haar oordeel vast is komen te staan dat appellante in de in geding zijde periode geen melding heeft gemaakte van de door haar verrichte werkzaamheden en de daaruit verkregen inkomsten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. De stelling van appellante dat er door derden misbruik van haar sofinummer is gemaakt heeft de rechtbank onvoldoende onderbouwd geacht.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 16 april 2007. Zij betwist het oordeel dat zij de inlichtingenverplichting heeft geschonden en zij ontkent werkzaamheden voor [uitzendbureau] te hebben verricht. Zij stond niet ingeschreven op het op de salarisspecificaties ingeschreven adres. Zij heeft de politie, de belastingdienst en de sociale recherche om hulp verzocht. Volgens haar heeft zij alles heeft gedaan wat in haar vermogen ligt om het misbruik van haar sofinummer aan te tonen en had het op de weg van het College gelegen om nader onderzoek te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om de herziening van een besluit tot toekenning van bijstand, een voor appellante belastend besluit. Dit brengt mee dat het aan het College is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en dat op het College de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden om tot herziening over te gaan.

4.2. In het geval van appellante stelt de Raad vast dat de door het College ontvangen informatie van het inlichtingenbureau zeer summier is. Het IB signaaloverzicht van 1 maart 2004 vermeldt sofinummer, geboortedatum, de namen van appellante en die van [uitzendbureau] en een adres in Heemskerk. Op dat overzicht is achter bruto-loon ingevuld € 0,--en de duur van de loonperiode in 2003 is daarop niet vermeld.

Op de overgelegde salarisspecificaties staan het sofinummer van appellante en het uitbetaalde nettoloon genoemd. Er is geen enkel bewijs dat appellante op het op die specificaties vermelde adres in Amsterdam feitelijk heeft gewoond. Het College heeft zelf aangegeven dat appellante op dat adres niet ingeschreven heeft gestaan.

Ook blijkt uit de salarisspecificaties niet bij welke inlener de door het College gestelde werkzaamheden zijn verricht. In zijn uitspraken van 7 april 2009, LJN BI1928 en van 12 mei 2009, LJN BI4343, heeft de Raad tot uitdrukking gebracht dat het uit een oogpunt van een evenwichtige bewijslastverdeling en gelet op de aan het College als bestuursorgaan ter beschikking staande onderzoeksmogelijkheden op de weg van het College ligt om in het kader van het onderzoek naar een belastingsignaal bij het uitzendbureau als werkgever naast de loongegevens ook de naam van de inlener op te vragen. Op grond van een en ander is de Raad met appellante van oordeel dat het College te kort geschoten in de voldoening aan de op hem rustende onderzoeksplicht.

4.3. Het onder 4.2 gegeven oordeel brengt mee dat het besluit van 16 april 2007 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet met de nodige zorgvuldigheid is voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.4. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevochten. De Raad stelt vast dat aan het primaire besluit hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit. Hij acht het aannemelijk dat dit gebrek thans niet meer kan worden hersteld. Uit door appellante overgelegde informatie is gebleken dat [uitzendbureau] inmiddels is opgehouden te bestaan. Dat nader onderzoek bij de werkgever niet meer tot de mogelijkheden behoort, dient voor risico en rekening van het bestuursorgaan te blijven. De Raad zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 20 december 2005 herroepen.

5. De Raad ziet tot slot aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 31,-- voor reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Herroept het besluit van 20 december 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 675,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.F. Bandringa en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

E.L.S.