Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2676

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
08-5992 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Woning voldoet niet aan de gestelde eisen. De Raad: geen toepaasing hardheidsclausule, op de overgelegde lijst met woningen bevinden zich meerdere woningen op de begane grond, waaronder woningen met tuin. Reeds op deze grond valt niet in te zien dat appellant een dringende reden had om de woning te accepteren. Er is geen overleg geweest met het College.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5992 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 24 september 2008, 07/6445 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld op de zitting van 10 juni 2009. Appellant is verschenen en werd bijgestaan door mr. Samama. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

Op verzoek van de Raad heeft het College bij schrijven van 20 mei 2009 nadere informatie verstrekt en nadere stukken ingediend.

Namens appellant is bij schrijven van 5 juni 2009 een verklaring overgelegd van E. Ruhe, ouderbegeleider Effatha-Guyotgroep.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant, geboren in 1974, heeft tengevolge van een ongeval knie- en heupklachten, waardoor hij moeite heeft met traplopen. Met zijn gezin bewoonde hij een woning met een verdieping. De woning is bereikbaar via drie buitentrappen. Van zijn gezin maken deel uit zijn echtgenote en vijf kinderen. Bij twee kinderen is sprake van ernstig gehoorverlies en van motorische beperkingen.

1.3. Appellant heeft op 20 oktober 2005 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding aangevraagd.

1.4. Het College heeft, onder overneming van een advies van de GGD, bij schrijven van 13 oktober 2005 aan appellant een voorrangsverklaring als woningzoekende verstrekt. Daarbij is aangegeven dat de nieuw te betrekken woning traploos moet zijn dan wel een trap van maximaal 1 tot 8 treden mag bevatten.

1.5. Argonaut Advies heeft, voor zover hier van belang, bij rapport van 26 januari 2006 aangegeven dat er een indicatie bestaat voor verhuizen naar een traploze woning. Daarbij is aangegeven dat nu en wellicht nog geruime tijd een huis met maximaal 1 trap in de toegang of binnen mogelijk zou zijn. Benadrukt is, dat de meest adequate oplossing een gelijkvloerse benedenwoning dan wel flatwoning betreft.

1.6. Het College heeft appellant bij besluit van 10 maart 2006 een woonvoorziening toegekend in de vorm van een verhuiskostenvergoeding ten bedrage van € 2.372,--. Daarbij is aangegeven dat de woning moet voldoen aan de voorwaarden dat deze gelijkvloers is en zonder trap of via een lift te bereiken is. Voorts is als voorwaarde opgenomen dat appellant binnen 1 jaar moet zijn verhuisd. Aan appellant is de verplichting opgelegd dat hij wijzigingen in woonadres en persoonlijke omstandigheden dient te melden.

1.7. Bij schrijven van 22 maart 2007 heeft appellant het College verzocht hem in aanmerking te brengen voor de definitieve toekenning van de verhuiskostenvergoeding. Hij heeft daarbij aangegeven dat hij verhuisd is naar een woning met een tuin, gelegen aan de [adres]. Voorts heeft hij gemeld dat deze woning een trap heeft.

1.8. Het College heeft bij besluit van 9 mei 2007 de aanvraag van appellant alsnog afgewezen. Daartoe heeft het College overwogen dat de woning, waarnaar appellant is verhuisd, niet voldoet aan de voorwaarden, genoemd in het besluit van 10 maart 2006.

2. Het College heeft het tegen het besluit van 9 mei 2007 gemaakte bezwaar van appellant bij besluit van 17 juli 2007 ongegrond verklaard. Het College stelt zich in dat besluit op het standpunt dat appellant, ondanks zijn medische beperkingen en zonder overleg vooraf, een inadequate woning heeft betrokken. Onder verwijzing naar de problemen met traplopen, die appellant en twee van zijn kinderen ondervinden, merkt het College deze woning als ongeschikt aan.

3.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 17 juli 2007 ongegrond verklaard.

3.2. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Voor zover nog van belang is aangevoerd dat het College toepassing had behoren te geven aan de hardheidsclausule. Appellant heeft zich genoodzaakt gezien de huidige woning, ondanks de aanwezigheid van een trap, te aanvaarden, omdat deze beschikt over een tuin. Onder verwijzing naar de verklaring van mw. Ruhe heeft appellant aangegeven dat het hebben van een tuin van groot belang is voor de motorische en sociaal-emotieve ontwikkeling van zijn twee dove kinderen. Bovendien kunnen zij in een tuin, zonder het veroorzaken van overlast voor de omgeving, op veilige wijze buiten spelen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders zorg draagt voor de verlening van onder meer woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht, zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat de gemeenteraad met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

4.2.1. Ter uitvoering van de in artikel 2, eerste lid, van de Wvg neergelegde opdracht heeft de raad van de gemeente ’s-Gravenhage de Verordening voorzieningen gehandicapten 1994 (hierna: Verordening) vastgesteld.

4.2.2. Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat de door burgemeester en wethouders te verlenen woonvoorziening kan bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing naar een adequate woning.

4.2.3. Artikel 8.1, onder b, van de Verordening bepaalt dat burgemeester en wethouders in zeer bijzondere gevallen en vanwege dringende redenen ten gunste van de gehandicapte of een woningeigenaar van de bepalingen in de verordening kunnen afwijken, mits de aard en de strekking van de verordening niet wordt aangetast.

4.3. De Raad stelt op grond van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat niet langer in geding is dat appellant, door te verhuizen naar de woning aan de [adres], niet heeft voldaan aan de voorwaarden genoemd in het besluit van 10 maart 2006. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het College in de door appellant in hoger beroep toegelichte omstandigheden aanleiding had behoren te zien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 8.1, onder b, van de Verordening.

4.4. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt. Door het College is gemotiveerd toegelicht dat ten tijde in geding voor appellant woningen beschikbaar waren. Op de overgelegde lijst met woningen bevinden zich meerdere woningen op de begane grond, waaronder woningen met tuin. Reeds op deze grond valt niet in te zien dat appellant een dringende reden had om de woning aan de [adres] te accepteren. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant geen aanleiding heeft gezien om vooraf met het College te overleggen over de geschiktheid van deze woning. Overleg had te meer voor de hand gelegen, nu appellant ruim voor het moment waarop hij aan de verhuurder moest kenbaar maken dat hij deze woning wilde aanvaarden wist dat hij voor toewijzing van deze woning in aanmerking kwam.

4.5. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) J. Waasdorp.

NW