Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
08-4279 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad geeft nadere invulling aan zijn doorwerkingsjurisprudentie en formuleert nieuwe criteria. Zie LJN BJ2443, 24-06-2009.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/4279 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: rechtbank) van 14 juli 2008, 08/2374 en 08/2375 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 juni 2009.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.A.E. Vancraeynest, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vancraeynest. Het Uwv, vanwege de Raad opgeroepen om ter zitting te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda en mr. J.M. van Bezu.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant is met ingang van 1 februari 2007 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van [werkgever 1] (hierna: werkgever 1). Hij heeft op 14 december 2007 ontslag genomen met ingang van 1 januari 2008, teneinde met ingang van 2 januari 2008 op basis van een uitzendovereenkomst met [werkgever 2] (hierna: werkgever 2). Werkgever 2 was met appellant overeengekomen dat appellant, indien zich in de eerste drie maanden geen ongewenste omstandigheden zouden voordoen, na afloop van die drie maanden voor een periode van een jaar bij hem in dienst zou treden, waarna, in de woorden van werkgever 2: “een en ander normaal gesproken over zal gaan in een vast dienstverband.” Op 25 februari 2008 heeft werkgever 2 appellant medegedeeld niet langer van zijn diensten gebruik te willen maken. Appellant heeft vervolgens een uitkering ingevolge de WW aangevraagd met ingang van 26 februari 2008.

2.2. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het Uwv de gevraagde uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het Uwv heeft het door appellant tegen dit besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard bij besluit op bezwaar van 3 juni 2008 (hierna: het bestreden besluit). In het bestreden besluit heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, nu hij zonder acute noodzaak ontslag heeft genomen uit een dienstverband voor onbepaalde tijd om vervolgens een uitzendovereenkomst voor de duur van drie maanden aan te gaan. Hiermee heeft appellant in de opvatting van het Uwv een voorzienbaar risico op werkloosheid genomen dat voor zijn rekening behoort te komen.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank deelde het standpunt van het Uwv dat appellant bij de baanwisseling een te groot risico heeft genomen. De rechtbank was van oordeel dat van appellant, gelet op zijn bestaande dienstverband voor onbepaalde tijd en het ontbreken van zwaarwegende redenen om op de kortst mogelijke termijn zijn dienstverband te beëindigen, verwacht had mogen worden dat hij pogingen zou ondernemen werk te vinden dat hem voor een langere periode dan drie maanden zekerheid zou bieden.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank de omvang van het door hem genomen werkloosheidsrisico onjuist heeft ingeschat. Naar zijn mening was in feite sprake van een proefperiode bij werkgever 2 van drie maanden, waarna, indien hij goed zou functioneren, een contract van een jaar zou volgen. De rechtbank heeft volgens appellant ook zijn medische klachten en een dreigend arbeidsconflict met werkgever 1 onderschat. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een verklaring van zijn huisarts overgelegd.

4.2. Het Uwv heeft zijn standpunt dat appellant een te groot werkloosheidsrisico heeft genomen gehandhaafd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Met ingang van 1 oktober 2006 is het WW-stelsel gewijzigd. Hiermee is een vierledige doelstelling beoogd, te weten: het meer activerend maken van de WW (meer gericht op uitstroom uit de WW naar betaalde arbeid), het bijdragen aan een beter preventiebeleid, het versoepelen van de ontslagpraktijk en het vereenvoudigen van de uitvoering van de WW (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 370, nr. 3, blz. 7).

5.2. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW dient de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW luidt met ingang van 1 oktober 2006 als volgt: De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

Artikel 27, eerste lid, van de WW luidt met ingang van 1 oktober 2006 als volgt: Indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW opgelegd, niet is nagekomen, weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering blijvend geheel, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen naar 35 over de volledige duur van de uitkering, maar ten hoogste over een periode van 26 weken.

5.3. In het voorliggende geval is aan de orde de situatie dat een werknemer werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen. Uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat in zo'n situatie, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking is beëindigd. Daarbij wordt aangeknoopt bij artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW.

5.4. De Raad heeft aanleiding gezien zijn rechtspraak ten aanzien van de verwijtbare werkloosheid in dergelijke situaties nader in te vullen. Daarbij is van belang geacht dat de wetgever heeft willen voorkomen dat de WW de mobiliteit op de arbeidsmarkt beperkt. Dit heeft geleid tot de volgende uitgangspunten.

5.4.1. Anders dan voorheen is de Raad thans van oordeel dat, indien de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, geen onderzoek naar de redenen van de baanwisseling behoeft te worden gedaan indien ten tijde van die baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van ten minste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als in de dienstbetrekking die beëindigd wordt. Daarbij acht de Raad niet de juridische vorm waarin de relatie tussen werknemer en werkgever gestalte heeft gekregen doorslaggevend, maar de materiële inhoud van de door hen gemaakte afspraken. Dit betekent derhalve dat het een werknemer in beginsel niet kan worden tegengeworpen indien het nieuwe dienstverband wordt aangegaan op basis van een uitzendovereenkomst, een oproepcontract, een detacheringsovereenkomst of een tijdelijke overeenkomst.

5.4.2. Indien een werkgever wenst vast te houden aan een proefperiode, al dan niet in de vorm van of in combinatie met een wettelijke proeftijd, een uitzendovereenkomst of een tijdelijk dienstverband en een werknemer daarmee instemt, heeft ook dat voor de verwijtbaarheid van de werkloosheid geen betekenis.

5.4.3. Eerst indien moet worden vastgesteld dat een reëel vooruitzicht als in 5.4.1 genoemd niet bestond, is er reden om te bezien of de omstandigheden die aanleiding waren voor de baanwisseling moeten leiden tot het oordeel dat de werknemer ter zake van de werkloosheid een verwijt treft. Daarbij dienen de persoonlijke beweegredenen van de werknemer om van baan te wisselen en de omvang van het door hem genomen risico om een beroep te moeten doen op een uitkering ingevolge de WW in ogenschouw te worden genomen.

5.4.4. Indien geconcludeerd moet worden dat sprake is van verwijtbare werkloosheid, dient tenslotte nog te worden bezien of aanleiding bestaat tot matiging van de maatregel op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW.

5.5. De afspraken die appellant met werkgever 2 heeft gemaakt, waarbij hij drie maanden op basis van een uitzendovereenkomst bij werkgever 2 zou werken en daarna, behoudens ongewenste omstandigheden, voor een jaar in dienst zou treden, boden naar het oordeel van de Raad een reëel vooruitzicht op een dienstverband van 26 weken. Gezien hetgeen in 5.4.1 is overwogen brengt dit mee dat appellant terzake van zijn werkloosheid geen verwijt treft.

5.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking. Het Uwv zal met inachtneming van het voorgaande opnieuw op het bezwaar van appellant dienen te beslissen. Daarbij zal het Uwv tevens een besluit moeten nemen over het verzoek van appellant tot vergoeding van de proceskosten in de bezwaarprocedure en van de wettelijke rente.

5.7. De Raad acht termen aanwezig voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en bepaalt deze kosten op € 644,-- voor de kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Draagt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) I. Mos.

BvW

186