Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2442

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
08-6743 WWB + 08-6751 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bezwaar tijdig is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/6743 WWB

08/6751 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 oktober 2008, 07/428 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Betrokkene 1] en [Betrokkene 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkenen).

Datum uitspraak: 30 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkenen heeft mr. ing. J.J. Patelski, advocaat te Maastricht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.E. Overhof, werkzaam bij de gemeente Maastricht. De heer Eijkenboom is verschenen, bijgestaan door mr. ing. Patelski.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Betrokkenen ontvingen ten tijde in geding een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.3. Bij besluit van 7 augustus 2006, verzonden op 9 augustus 2006, heeft appellant de bijstand van betrokkenen ingetrokken over de periode van 20 oktober 2005 tot en met 30 april 2006 en beëindigd per 1 mei 2006. Bij besluit van 7 september 2006 heeft appellant de over de periode van 20 oktober 2005 tot en met 30 april 2006 gemaakte kosten van bijstand van beide betrokkenen teruggevorderd.

1.4. Met een brief van 20 september 2006 hebben betrokkenen tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 8 februari 2007 is het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding en is het bezwaar tegen het besluit van 7 september 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 februari 2007 gegrond verklaard en appellant opgedragen opnieuw te beslissen op de bezwaren tegen de besluiten van 7 augustus 2006 en 7 september 2006. Daartoe is overwogen dat de rechtbank het aannemelijk acht dat het bezwaarschrift op 20 september 2006, de laatste dag van de bezwaartermijn, door de toenmalige gemachtigde van betrokkenen bij appellant is afgegeven. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat in verband met de samenhang tussen de besluiten van 7 augustus 2006 en 7 september 2006 op de bezwaren tegen beide besluiten opnieuw moet worden beslist.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het in de aangevallen uitspraak vermelde oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 7 augustus 2006.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het geding spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat tijdig bezwaar is ingediend tegen het besluit van 7 augustus 2006. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

4.2. De Raad stelt vast dat 20 september 2006 de laatste dag is van de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt tegen het op 9 augustus 2007 verzonden besluit van 7 augustus 2006. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de toenmalige gemachtigde van betrokkenen, mr. W.C.M. Coenen, advocaat te Maastricht, het bezwaarschrift op die dag persoonlijk bij de afdeling Sociale en Economische Zaken van de gemeente Maastricht (hierna: Sociale Dienst) heeft afgegeven. Het ontbreken van een ontvangstbewijs of een passende datumstempel en het feit dat, ook na intern onderzoek via e-mail, niet bekend is geworden welke medewerker van de Sociale Dienst het bezwaarschrift in ontvangst heeft genomen doet hier, anders dan door appellant is aangevoerd, niet aan af. De Raad hecht in dit verband betekenis aan het feit dat de gemachtigde een professionele rechtshulpverlener is, dat hij schriftelijk en gedetailleerd heeft verklaard hoe de afgifte op 20 september 2006 na sluitingstijd heeft plaatsgevonden en dat hij heeft aangeboden de persoon aan te wijzen die het stuk in ontvangst heeft genomen. De Raad kent voorts betekenis toe aan het feit dat deze gemachtigde ter zitting van de rechtbank zijn verklaring onder ede heeft herhaald. Ten slotte merkt de Raad op dat appellant het bezwaarschrift, waarop is vermeld ‘per falk post’ en ‘vooraf per bode’, twee maal heeft ontvangen. De enveloppen van beide exemplaren zijn door de Sociale Dienst voor ontvangst gestempeld op 21 september 2006. De Raad acht het aannemelijk dat het op 20 september 2006 na sluitingstijd afgegeven bezwaarschrift de volgende dag voor ontvangst is afgestempeld en acht het niet aannemelijk dat beide exemplaren op 21 september 2006 bij de Sociale Dienst zijn bezorgd. Hetgeen verder door appellant nog is aangevoerd, waaronder het standpunt dat mr. W.C.M. Coenen geen juiste beschrijving heeft gegeven van de ingang van de Sociale Dienst, leidt de Raad in het licht van het vorenstaande niet tot een ander oordeel.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover deze is aangevochten.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkenen in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat van de gemeente Maastricht een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en P. Ingelse als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B.E. Giesen.

NW