Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
15-07-2009
Zaaknummer
08-2436 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade veroorzaakt door niet gehandhaafde loondoorbetalingsverplichting. Het Uwv dient aan betrokkene 70% van het over de periode van 6 december 2004 tot en met 5 april 2005 (door)betaalde loon, zijnde een bedrag van € 10.964,56, te vergoeden, verminderd met de door het Uwv aan betrokkene nabetaalde WAO-uitkering van € 9.162,32. Het standpunt van appellant dat geen sprake is van schade, nu betrokkene op grond van de toepasselijke CAO gehouden was de WAO-uitkering van de werknemer aan te vullen tot 100%, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dit standpunt onvoldoende is onderbouwd, wordt met dit standpunt ten onrechte voorbij gezien aan het onderhavige - schadeveroorzakende - besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2436 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 maart 2008, 2005/2094 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

Stichting Hogeschool Utrecht, gevestigd te Utrecht (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009.

Appellant heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. L. Bosma. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 7 oktober 2004 heeft appellant aan betrokkene een (verlengde) loondoorbetalingsverplichting van vier maanden opgelegd ten aanzien van haar werknemer [Naam werknemer W.]. Dit tijdvak omvatte de periode van 6 december 2004 tot en met 5 april 2005. Bij besluit van 30 juni 2005 is het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 oktober 2004 ongegrond verklaard.

1.2. Hangende beroep heeft appellant bij besluit van 23 mei 2006 het bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2004 alsnog gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Vervolgens is namens betrokkene het beroep ingetrokken en aan de rechtbank verzocht appellant met toepassing van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de proceskosten te veroordelen. Tevens heeft betrokkene de rechtbank verzocht appellant met toepassing van artikel 8:73a van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden schade. Bij brief van 10 juli 2006 is dit verzoek namens betrokkene nader onderbouwd. Bij brief van 6 augustus 2007 is de vordering namens betrokkene beperkt tot een bedrag van € 1.802,24 ter zake van loonkosten, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 10.964,56.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak toepassing gegeven aan artikel 8:73a van de Awb en appellant veroordeeld tot betaling van een bedrag aan schade van € 1.802,24, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 10.964,56.

3.1. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld niet aansprakelijk te zijn voor de geleden schade, maar uit overwegingen van coulance in beginsel bereid te zijn de geleden schade te vergoeden tot 70% van het doorbetaalde loon. Appellant wenst in dit geval echter geen loonschade te vergoeden. Volgens appellant kan het resterende bedrag van € 1.802,24 niet als loonschade worden aangemerkt omdat betrokkene op grond van de toepasselijke CAO verplicht was de aan werknemer [Naam werknemer W.] alsnog toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) tot 100% aan te vullen. Betrokkene heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad.

3.2. Bij brief van 25 maart 2009 heeft appellant zijn standpunt desgevraagd nader toegelicht. Hierbij heeft appellant betoogd dat, uitgaande van de verplichting op grond van de CAO tot aanvulling van de WAO-uitkering tot 100% van het loon, het gehele bedrag boven de aan genoemde werknemer toegekende WAO-uitkering buiten de loonschade valt. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat, ook indien appellant aan betrokkene geen loonsanctie had opgelegd en onmiddellijk aan de werknemer een WAO-uitkering had toegekend, het verschil tussen de totale loonkosten van € 15.663,66 en de aan betrokkene nabetaalde WAO-uitkering van € 9.162,32, zijnde een bedrag van € 6.501,34, ten laste van betrokkene zou zijn gekomen. Het van dat bedrag deel uitmakende bedrag van € 1.802,24 (zijnde het verschil tussen 70% van de loonkosten en de WAO-uitkering) is volgens appellant derhalve ook geen schade. Appellant heeft erkend wettelijke rente te zijn verschuldigd en bereid te zijn in dit verband een bedrag van € 588,92 aan betrokkene te betalen.

4.1. Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, acht de Raad de omvang van het geding beperkt tot de vraag of de rechtbank appellant terecht heeft veroordeeld tot betaling aan betrokkene van een bedrag aan schade van € 1.802,24. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Bij de toetsing van een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige zoekt de Raad aansluiting bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. In zijn uitspraken van 27 augustus 2008 (zie onder meer LJN BE9377), heeft de Raad onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie overwogen dat een overheidsorgaan, wanneer een door dit orgaan genomen besluit achteraf wegens strijd met een wettelijke bepaling onrechtmatig blijkt te zijn en dit besluit wordt herroepen, jegens de betrokkene een onrechtmatige daad heeft begaan, waarmee de schuld van het overheidsorgaan in beginsel is gegeven. Voorts heeft de Raad overwogen dat de loonschade die ontstaat als een gevolg van de onverschuldigde loondoorbetaling aan het onrechtmatige besluit dient te worden toegerekend en dat op appellant in beginsel de verplichting rust om die schade te vergoeden. Vervolgens heeft de Raad, met inachtneming van het bepaalde in artikel 71a, negende lid, van de WAO juncto artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, geoordeeld dat in beginsel niet 100%, maar 70% van het als een gevolg van het onrechtmatige besluit doorbetaalde loon, althans het wettelijke minimumloon, aan appellant dient te worden toegerekend.

4.3. Vaststaat dat betrokkene aan werknemer [Naam werknemer W.] over de periode van 6 december 2004 tot en met 5 april 2005 het volledige loon ad € 15.663,66 heeft (door)betaald. Niet in geschil is voorts dat appellant aan betrokkene een bedrag van € 9.162,32 aan WAO-uitkering heeft nabetaald.

4.4. Hetgeen in 4.2 en 4.3 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat appellant aan betrokkene 70% van het over de periode van 6 december 2004 tot en met 5 april 2005 (door)betaalde loon, zijnde een bedrag van € 10.964,56, dient te vergoeden, verminderd met de door appellant aan betrokkene nabetaalde WAO-uitkering van € 9.162,32. Dit betekent dat appellant aan betrokkene een bedrag van € 1.802,24 aan schade dient te vergoeden. Het standpunt van appellant dat geen sprake is van schade, nu betrokkene op grond van de toepasselijke CAO gehouden was de WAO-uitkering van de werknemer aan te vullen tot 100%, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat dit standpunt onvoldoende is onderbouwd, wordt met dit standpunt ten onrechte voorbij gezien aan het onderhavige - schadeveroorzakende - besluit.

5. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 433,-- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) A.L. de Gier.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

KR