Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-06-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
07-6368 WWB + 08-02 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand € 3.809,74. Aangevallen uitspraak is niet in openbaar uitgesproken. Met nader besluit niet (geheel) tegemoet gekomen. De Raad: Hoogte matiging van de terugvordering tot 10% van het nettobedrag van de gemaakte kosten van bijstand is redelijk. Overschrijding redelijke termijn: schadevergoeding van in totaal € 5.000,–. Proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:77
Algemene wet bestuursrecht 8:78
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6368 WWB

08/02 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2007, 06/2056 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is behandeld op de zitting van 6 mei 2009. Voor appellante is mr. Van Hoof verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellante is met ingang van 26 november 1998 bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande toegekend. De bijstand is met ingang van 1 november 1999 ingetrokken omdat appellante inkomsten uit arbeid en een uitkering ingevolge de Ziektewet had ontvangen. Ter zake van deze inkomsten heeft het College bij besluit van 1 september 2000 van appellante de over de periode van 7 december 1998 tot en met 30 oktober 1999 gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van f 11.891,96 (€ 5.396,34) teruggevorderd. Het daartegen door appellante gemaakte bezwaar heeft het College bij besluit van 11 mei 2001 gegrond verklaard op de grond dat aan de terugvordering ten onrechte geen besluit om de bijstand te herzien ten grondslag is gelegd. Tevens is in dat besluit het besluit van 1 september 2000 ingetrokken.

1.2. Het College heeft bij brief van 19 maart 2004 kennis gegeven van zijn besluit om het recht op bijstand van appellante over de periode van 7 december 1998 tot en met 31 oktober 1999 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 4.445,30 van appellante terug te vorderen. De brief vermeldt dat tegen dit besluit bezwaar kan worden gemaakt. Het College heeft het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2004 bij besluit van 25 november 2004 gegrond verklaard op de grond dat bij de berekening van het terug te vorderen bedrag uitgegaan is van een onjuiste datum van werkaanvaarding. Het terug te vorderen bedrag is nader vastgesteld op € 4.336,26.

1.3. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft het door appellante ingestelde beroep tegen het besluit van 25 november 2004 bij uitspraak van 12 december 2005, 05/62 en 05/4895, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 19 maart 2004 geschorst. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.

1.4. Het College heeft bij brief van 28 maart 2006 kennis gegeven van zijn besluit om het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2004 gegrond te verklaren. Het College heeft nader beslist dat het terug te vorderen bedrag wordt gematigd tot 90% van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand netto, zijnde € 3.809,74. De vordering wordt beperkt omdat het College terugkomt van zijn standpunt dat appellante onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over haar inkomsten, alsook omdat niet binnen een redelijke termijn een besluit is genomen over de terugvordering.

1.5. Appellante heeft op 13 april 2006 beroep ingesteld tegen het besluit van 28 maart 2006.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 28 maart 2006 ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe vastgesteld dat uit het besluit van 28 maart 2006 blijkt dat het College de terugvordering heeft beperkt tot 90% van het netto terug te vorderen bedrag omdat het vindt dat het onvoldoende voortvarend en derhalve onzorgvuldig heeft gehandeld door na het besluit van 11 mei 2001 eerst op 19 maart 2004 een nieuw herzienings- en terugvorderingsbesluit te nemen. Het College heeft daarvoor verwezen naar de uitspraak van de Raad van 7 juni 2000, LJN AA7189. De rechtbank heeft geoordeeld dat het College de beperking van de terugvordering tot 90% van het terug te vorderen bedrag voldoende heeft gemotiveerd.

2.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak in strijd met de wet niet in het openbaar is uitgesproken. Appellante kan zich er voorts niet mee verenigen dat het College niet geheel van de terugvordering heeft afgezien. In de omstandigheden van het geval was daar alle aanleiding voor omdat het College veel te lang heeft getalmd met het nemen van een herzieningsbesluit. Voorts was daar aanleiding voor omdat appellante aanvankelijk ten onrechte is verweten dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden. Ten slotte heeft appellante ter zake van de lange duur van de procedure verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2.2. Het College heeft bij brief van 12 november 2007 kennis gegeven van zijn nadere besluit om het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2004 gedeeltelijk gegrond te verklaren en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 13 december 1998 tot en met 31 oktober 1999 van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 3.711,65, zijnde 90% van het netto bedrag van de gemaakte kosten. Het College heeft daartoe overwogen dat in het besluit van 19 maart 2004, zoals gehandhaafd in het besluit van 28 maart 2006, is uitgegaan van een onjuiste periode.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad stelt vast dat het besluit van 12 november 2007 tot wijziging van het besluit van 28 maart 2006 strekt en daarvoor in de plaats treedt. Aangezien het besluit van 12 november 2007 niet volledig tegemoetkomt aan het beroep van appellante, heeft het geding in hoger beroep, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede betrekking op dit besluit.

3.2.1. Appellante heeft aangevoerd dat de aangevallen uitspraak in strijd met de wet niet in het openbaar is uitgesproken.

3.2.2. Ingevolge artikel 8:78 van de Awb spreekt de rechtbank de beslissing, bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, in het openbaar uit, in tegenwoordigheid van de griffier. Artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, houdt in dat de schriftelijke uitspraak de door de rechtbank genomen beslissing dient te vermelden.

3.2.3. De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak slechts vermeldt dat deze is bekendgemaakt door verzending aan partijen. De uitspraak vermeldt niet dat zij in het openbaar is uitgesproken. Op het verzoek van de Raad om overlegging van een proces-verbaal van openbaarmaking, dan wel mede te delen op welke wijze openbaarmaking heeft plaats gevonden, heeft de rechtbank bericht dat er geen proces-verbaal van openbaarmaking is van de aangevallen uitspraak. De Raad moet het er onder deze omstandigheden voor houden dat de beslissing bedoeld in artikel 8:77, eerste lid, onder c, van de Awb in strijd met artikel 8:78 van de Awb niet in het openbaar is uitgesproken.

3.2.4. Uit hetgeen is overwogen onder 3.2.1 tot en met 3.2.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

3.3. De Raad stelt verder vast dat het College het besluit van 28 maart 2006 niet handhaaft en het besluit van 12 november 2007 daarvoor in de plaats heeft gesteld. Dit betekent dat het besluit van 28 maart 2006 dient te worden vernietigd.

3.4. De Raad stelt vervolgens vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het College bevoegd is om de gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen. Het geschil heeft uitsluitend betrekking op de vraag of het College de matiging van het terug te vorderen bedrag terecht heeft beperkt tot 10% van de netto gemaakte kosten van bijstand over de periode van 13 december 1998 tot en met 31 oktober 1999 en of een verdergaande beperking niet zou zijn aangewezen.

3.4.1. Artikel 58, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand (WWB) houdt in dat het College bevoegd is om de kosten van bijstand terug te vorderen indien deze ten onrechte of tot een te hoog bedrag zijn gemaakt. Blijkens artikel 4, eerste lid, van de Handhavingsverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Amsterdam vordert het College de kosten van bijstand terug, voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet. Artikel 4, derde lid, van deze verordening bepaalt dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn van immateriële aard.

3.4.2. Het College heeft van de in artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB bedoelde bevoegdheid gebruik gemaakt door de terugvordering te beperken tot 90% van het teveel aan appellante uitgekeerde bedrag. Daarbij zijn de lange periode tussen 11 mei 2001 en 19 maart 2004 en het feit dat gebleken is dat appellante de inlichtingenplicht niet geschonden heeft in aanmerking genomen.

3.4.3. De Raad is van oordeel dat het College in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de matiging van de terugvordering te beperken tot 10% van het nettobedrag van de gemaakte kosten van bijstand. Uit het ongeschreven recht vloeit niet voort dat het College gehouden is tot een verdergaande matiging dan 10% bij het vaststellen van het bedrag van de terugvordering.

3.4.4. Uit hetgeen is overwogen onder 3.4.1 tot en met 3.4.3 vloeit voort dat het besluit van 12 november 2007 inhoudelijk juist is.

3.5. Met betrekking tot het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad als volgt.

3.5.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

3.5.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties, in zaken zoals deze, in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 3.5.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

3.5.3. Voorts is van belang dat, zoals de Raad eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044), in een geval waarin de vernietiging van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan, maar van de Staat (het ministerie van Justitie).

3.5.4. Voor dit geding betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellante door het College, op 14 september 2000, tot de datum van deze uitspraak zijn acht jaar en tien maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is in dit geval derhalve met vier jaar en tien maanden overschreden.

3.5.5. De Raad verwerpt het ter zitting ingenomen standpunt van het College dat de redelijke termijn eerst is aangevangen op 3 april 2004, de datum van ontvangst van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 maart 2004. De Raad wijst erop dat het geschil tussen appellante en het College gaat over de terugvordering van gemaakte kosten van bijstand en dat appellante reeds op 14 september 2000 bezwaar heeft gemaakt tegen de in het besluit van 1 september 2000 neergelegde terugvordering. Het College heeft dat bezwaar bij besluit van 11 mei 2001 gegrond verklaard op de grond dat in het besluit van 1 september 2000 ten onrechte geen herzieningsbesluit was opgenomen. De Raad moet vaststellen dat het College dat gebrek eerst heeft hersteld in het besluit van 19 maart 2004, waarna de verdere besluitvorming is gevolgd.

3.5.6. Met betrekking tot de vraag of een deel van de overschrijding moet worden toegeschreven aan de behandelingsduur bij rechterlijke instanties stelt de Raad vast dat de behandeling van het beroep van appellante tegen het besluit van 25 november 2004 geduurd heeft van 5 januari 2005 tot de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 12 december 2005, derhalve ruim elf maanden. De behandeling van het beroep van appellante tegen het besluit van 28 maart 2006 heeft geduurd van 13 april 2006, de datum van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank, tot 17 juni 2009, de datum van deze uitspraak. Deze fase heeft derhalve minder dan drie en een half jaar geduurd, waarmee gegeven is dat in beide rechterlijke fases geen sprake is van een te lange behandelingsduur.

3.5.7. Uit hetgeen is overwogen in 3.5.4 tot en met 3.5.6 vloeit voort dat de overschrijding van de redelijke termijn met vier jaar en tien maanden geheel aan het College moet worden toegerekend. Uit de uitspraak van de Raad 26 januari 2009 (LJN BH1009), vloeit voort dat een vergoeding van € 500,-- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden, in het algemeen passend moet worden geacht. Dit betekent dat - met gegrondverklaring van het beroep en vernietiging met instandlating van de rechtsgevolgen van het besluit van 12 november 2007 - het College veroordeeld wordt tot een schadevergoeding van tien maal € 500,--, dat is in totaal € 5.000,–, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt.

4. De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Deze worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 28 maart 2006 en 12 november 2007;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 november 2007 in stand blijven;

Veroordeelt het College tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van

€ 5.000,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt, te betalen door de gemeente Amsterdam.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en R.H.M. Roelofs en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2009.

(get.) R.M. van Male.

(get.) A. Badermann.

NW