Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
08-1640 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen reden om de afwezigheid van een tolk als onzorgvuldigheid aan te merken. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/1640 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 31 januari 2008, 07/1121 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diekema.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 18 september 2006 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 19 november 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij besluit van 5 februari 2007 (hierna: het bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, maar ook bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat in de bezwaarfase een onderzoek is verricht door een bezwaarverzekeringsarts die ten tijde van de beoordeling geen geregistreerd (bezwaar)verzekeringsarts was. Vanwege het feit dat het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek wel door een geregistreerd verzekeringsarts was verricht en in de beroepsfase alsnog een medische herbeoordeling heeft plaatsgevonden door een geregistreerd (bezwaar)verzekeringsarts, heeft de rechtbank dit gebrek geheeld geacht. Mede daarom heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft de rechtbank ook overwogen dat zij geen reden heeft gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische conclusies en dat door het Uwv voldoende is gemotiveerd dat de geselecteerde functies die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, geschikt zijn te achten voor appellante.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat een beoordeling heeft plaatsgevonden door een niet-geregistreerde bezwaarverzekeringsarts, dat in bezwaar ten onrechte geen lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat daarbij ook ten onrechte geen tolk aanwezig is geweest. Ook meent appellante dat haar beperkingen als gevolg van rugklachten, migraine en psychische klachten onvoldoende zijn onderkend en dat daarmee onvoldoende rekening is gehouden in de door het Uwv opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). In dat verband heeft appellante de Raad verzocht een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Verder heeft appellante naar voren gebracht dat de geselecteerde functies ongeschikt zijn vanwege haar beperkingen en haar geringe taalvaardigheid. Ook stelt appellante dat de geselecteerde functies onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen en dat het Uwv bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit).

3.2. Het Uwv heeft de Raad gevraagd de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft, ervan uitgaande dat een beoordeling in de bezwaarfase door een niet-geregistreerde bezwaarverzekeringsarts een gebrek oplevert, terecht overwogen dat dit gebrek in dit geval is geheeld doordat het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek wel door een geregistreerd verzekeringsarts is verricht en in de beroepsfase alsnog een medische herbeoordeling heeft plaatsgevonden door een geregistreerde bezwaarverzekeringsarts. Dat die laatste bezwaarverzekeringsarts geen eigen lichamelijk onderzoek heeft gedaan, brengt anders dan appellante stelt niet mee dat het onderzoek onzorgvuldig moet worden geacht. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 29 januari 2008 (LJN BC3306). Wat betreft de afwezigheid van een tolk bij de medische onderzoeken en de hoorzitting overweegt de Raad dat appellante in haar bezwaarschrift al haar klachten uitvoerig heeft kunnen uiteenzetten en dat zij bij de hoorzitting van 21 november 2006 heeft aangegeven nu wel het gevoel te hebben dat er naar haar geluisterd is. Verder neemt de Raad op basis van een telefoonnotitie van 20 november 2006 aan dat appellante ermee heeft ingestemd dat er geen tolk aanwezig zou zijn bij de hoorzitting en dat zij in plaats daarvan zou worden vergezeld door haar zoon. Er is daarom geen reden om de afwezigheid van een tolk als een zodanige onzorgvuldigheid aan te merken dat daarom het bestreden besluit zou moeten worden vernietigd.

4.2. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. Blijkens de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts, neergelegd in de rapportage van 29 augustus 2006, heeft deze arts alleen beperkingen kunnen vaststellen ten aanzien van het gebruik van de schouders. In haar bezwaarschrift en bij de hoorzitting heeft appellante met name melding gemaakt van haar klachten wegens migraine, hoge bloeddruk en haar psychische gesteldheid. Wat betreft de migraine kan de Raad de bezwaarverzekeringsarts volgen, waar deze in de rapportage van 30 januari 2007 stelt dat de door appellante bij de hoorzitting aangegeven frequentie van een migraineaanval eens per maand geen aanleiding geeft voor het aannemen van een beperking in de FML, maar valt binnen een geaccepteerd verzuimrisico. De Raad verwijst daarbij naar zijn uitspraak van 29 augustus 2007 (LJN BB2600). Blijkens eerdergenoemde rapportage van de verzekeringsarts gebruikt appellante medicatie tegen hoge bloeddruk en kan uit de brief van de huisarts van 21 augustus 2006 niet worden afgeleid dat appellante als gevolg van hoge bloeddruk beperkingen ondervindt. De opmerking in de brief van de huisarts van 7 oktober 2006 dat het gezin van appellante en ook appellante zelf een ernstige psychische belasting krijgen door de herziening van de WAO-uitkering, is een onvoldoende basis om aan te nemen dat het Uwv psychische beperkingen had moeten aannemen. Ten aanzien van de door appellante in beroep overgelegde brief van de radioloog M. el Bekkaoui van 18 augustus 2007, kan de Raad zich vinden in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 22 november 2007. Uit de brief van 18 augustus 2007 blijkt dat een CT-scan heeft plaatsgevonden, maar er wordt geen melding gemaakt van een anamnese en evenmin van een lichamelijk onderzoek, zodat er geen betekenis kan worden gegeven aan de bevindingen van de radioloog. Daarbij neemt de Raad ook in aanmerking dat de bevindingen van de radioloog kennelijk dateren uit augustus 2007, terwijl in deze zaak ter beoordeling staat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 november 2006. Verder is van belang dat de huisarts in de brief van 21 augustus 2006 heeft aangegeven dat appellante tot 1995 veel hinder had van rugklachten, maar nadien niet meer. Nu de Raad op grond van het voorgaande geen reden ziet de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten, is er ook geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

4.3. Het betoog van appellante dat het Uwv ten onrechte gebruik heeft gemaakt van het aangepaste Schattingsbesluit, verwerpt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 22 april 2009 (LJN BH0312). Uitgaande van de in dit geval van toepassing zijnde bepalingen van het Schattingsbesluit, vertegenwoordigen de geselecteerde functies voldoende arbeidsplaatsen.

4.4. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 februari 2007 is voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat de functies geschikt zijn voor appellante. In het verweerschrift van 27 mei 2008 is in reactie op hetgeen door appellante in dit verband is aangevoerd terecht opgemerkt dat appellante niet beperkt is geacht ten aanzien van zitten en dat in de functies zodanig beperkte eisen worden gesteld aan de beheersing van de Nederlandse taal, dat appellante in staat moet worden geacht die functies te verrichten.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt dan ook bevestigd, voor zover aangevochten.

6. De Raad ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en M.C.M. van Laar en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2009.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) T.J. van der Torn.

JL