Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2388

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
08-2331 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat ten tijde in geding aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan. Geen sprake van een commerciële relatie dan wel van twee zelfstandige huishoudens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2331 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2008, 06/5172 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 7 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. E.R. Hagenaars, advocaat te Amsterdam. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.A. Ahmed, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. [naam van der K] (hierna: [van der K]) ontving sedert 24 mei 2004 een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op verzoek van [van der K] werd de bijstand betaald via een bankrekening op naam van appellant.

1.2. In het kader van het project Klant in beeld is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan [van der K] verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in rapportages van 15 september 2005 en 20 september 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest de bijstand van [van der K] over de periode van 24 mei 2004 tot en met 31 augustus 2005 in te trekken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 13.917,67 van hem terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 29 juni 2006 heeft het College onder verwijzing naar artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB de kosten van de over de periode van 24 mei 2004 tot en met 31 augustus 2005 aan [van der K] verleende bijstand tot een bedrag van € 13.917,67 mede van appellant teruggevorderd. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat [van der K] met appellant een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd en daarvan geen melding heeft gemaakt bij het College.

1.4. Bij besluit van 14 september 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 juni 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 september 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met [van der K] een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB heeft gevoerd. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant en [van der K] gedurende de in geding zijnde periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning zodat aan het eerste criterium voor een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse verzorging. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. De Raad merkt in dit verband op dat voor het voldoen aan het zorgcriterium niet is vereist dat sprake is van een min of meer gelijke bijdrage in de kosten van de huishouding of van gelijkwaardigheid van de omvang van de over en weer verleende zorg.

4.5. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat ten tijde in geding aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat appellant toestond dat de bijstand van [van der K] gedurende de gehele in geding zijnde periode op zijn bankrekening werd gestort en dat appellant aan [van der K] gelden ter hand stelde indien deze daarom vroeg en daarvan geen administratie bijhield. De Raad acht verder van belang dat appellant heeft verklaard dat hij de hoogte van de door [van der K] aan hem te betalen huur heeft verlaagd van € 90,-- per week naar € 200,-- per maand toen deze een operatie moest ondergaan en niet kon werken en dat die huur op het lagere bedrag werd gehandhaafd toen [van der K] gezondheidsproblemen bleef houden en geen werk had. Anders dan schriftelijk was overeengekomen werden van de betaling van de maandelijkse huur geen kwitanties opgemaakt. Ten slotte acht de Raad van belang dat [van der K] op 13 mei 2005 heeft verklaard dat hij de hond van appellant uitliet, het huis aan de kant hield, de was van beiden deed en dat zij een paar maal samen hebben gegeten. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen grond om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen. Ook uit het door appellant in hoger beroep overgelegde rapport van prof. dr. J.J. Baneke blijkt naar het oordeel van de Raad niet dat appellant op 13 mei 2005 niet in staat was naar waarheid over zijn woon- en leefsituatie te verklaren. De Raad merkt in dit verband op dat appellant ter hoorzitting van 9 augustus 2006 heeft verklaard dat het voorkwam dat [van der K] zonder dat appellant hem daarom vroeg zijn hond uitliet, dat zij een paar maal samen met gezamenlijke vrienden hebben gegeten en dat [van der K] af en toe voor appellant de was deed.

4.6. Gelet op de ter beschikking staande gegevens acht de Raad niet aangetoond dat sprake is van een commerciële relatie dan wel van twee zelfstandige huishoudens. De in overweging 4.5 vermelde feiten en omstandigheden duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Onder die omstandigheden dient de gestelde huur van € 200,-- per maand veeleer te worden gekwalificeerd als een bijdrage van [van der K] in de kosten van de huishouding.

4.7. Gelet op het voorgaande staat vast dat appellant en [van der K] ten tijde in geding met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Verlening van gezinsbijstand is niettemin achterwege gebleven omdat [van der K] de op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [van der K] verleende bijstand tot een bedrag van € 13.917,67 mede van appellant terug te vorderen.

4.8. De Raad stelt vast dat het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van medeterugvordering gehanteerde beleid. De Raad ziet in het feit dat het College heeft ingestemd met het verzoek van [van der K] om de bijstand uit te betalen via een op naam van appellant gestelde bankrekening en evenmin in hetgeen overigens door appellant is aangevoerd bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

4.9. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2009.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.E. Giesen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

NK