Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
08-96 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

08/96 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2007, 06/4794 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 juli 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant is in hoger beroep gekomen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

K. Bourhayl, voorzitter van de Vereniging voor de verdediging van de Rechten van de mens te [woonplaats], heeft zich als gemachtigde van appellant gesteld en heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Meijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.

1.2. Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

1.3. Appellant, geboren [in] 1956, is sinds 1977 in Nederland werkzaam geweest als schoonmaker. Op 26 januari 1981 heeft hij zijn werkzaamheden gestaakt wegens rug-, been- en heupklachten. Bij besluit van 9 maart 1982 zijn aan appellant met ingang van 27 januari 1982 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij hetzelfde besluit zijn deze uitkeringen ingaande 1 april 1982 ingetrokken, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant per die datum was afgenomen naar minder dan 15%. De Raad van Beroep te Amsterdam heeft bij uitspraak van 21 december 1982 het tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4. Bij brief van 30 oktober 1984 heeft de toenmalige gemachtigde van appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 9 maart 1982, omdat de gezondheidstoestand van appellant zou zijn verslechterd en er ook sprake zou zijn van psychische klachten. Bij besluit van 20 maart 1985 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. Bij uitspraak van 8 oktober 1986 heeft de Raad van Beroep Amsterdam het beroep van appellant ongegrond verklaard. Dit oordeel was mede gebaseerd op een rapport van de als deskundige geraadpleegde revalidatie-arts dr. C.P. Dubbelman van 3 september 1985. In hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 13 januari 1989, reg.nr. AAW/WAO 1986/1135, de uitspraak van de raad van beroep bevestigd.

1.5. Bij brief van 4 juli 2003 heeft appellant bij het Uwv opnieuw een aanvraag ingediend om toekenning van een WAO-uitkering, waarop hij vanaf april 1982 recht meent te hebben. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij medische gegevens overgelegd. Na bestudering van de medische dossierstukken is de verzekeringsarts T. Njoo tot de conclusie gekomen dat er op grond van de nieuw ingebrachte informatie geen reden is om terug te komen van het besluit van 9 maart 1982. Bij besluit van 29 maart 2006 heeft het Uwv vervolgens, onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geweigerd het besluit van 9 maart 1982 te herzien.

1.6. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat zijn rechten worden miskend. Hij is vier keer geopereerd in Nederland en Marokko en heeft medische verklaringen overgelegd, waaruit blijkt dat hij in het geheel geen werkzaamheden kan verrichten. Hij is van mening dat het besluit van het Uwv gebaseerd is op onjuiste medische rapporten. Tijdens een telefonische hoorzitting op 17 augustus 2006 heeft appellant zijn bezwaren nader toegelicht. In haar rapportage van dezelfde datum is de bezwaarverzekeringsarts

W.M. Koek op basis van de medische stukken in het dossier, de in de bezwaarprocedure overgelegde verklaringen en het verhandelde tijdens de hoorzitting tot de conclusie gekomen dat er geen nieuwe feiten zijn die, zo zij in 1982 en 1984 bekend waren geweest, tot andere beperkingen zouden hebben geleid.

1.7. Bij besluit op bezwaar van 21 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv appellants bezwaar tegen het besluit van 29 maart 2006 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, overwegende dat beide verzekeringsartsen hebben vastgesteld dat geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb bekend zijn geworden die betrekking hebben op de datum 1 april 1982 en dat appellant in beroep ook niet met nieuwe medische gegevens omtrent deze datum is gekomen.

3. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden. Hij is van mening dat de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de eerdere, onjuiste, uitspraak van 21 december 1982 en geen rekening heeft gehouden met zijn vorderingen en verzoeken om toekenning van zijn rechten op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Volgens de gemachtigde K. Bourhayl wordt er sinds 1981 door de instanties een spelletje met appellant gespeeld, waarbij sprake zou zijn van motieven van racistische aard. Om die reden heeft hij de Raad verzocht alle voorgaande rechterlijke uitspraken opnieuw te beoordelen en alle bij de zaak betrokkenen (artsen, uitvoeringsorgaan, advocaten, appellant zelf) te horen, in de hoop dat de Raad appellant in zijn recht zal herstellen.

In een brief van 7 mei 2009 heeft Bourhayl er bij de Raad op aangedrongen onderzoek te verrichten en de waarheid te achterhalen over de gang van zaken sinds het arbeidsongeval, waarvan appellant destijds het slachtoffer is geworden.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om het hierboven onder 3 vermelde verzoek van appellants gemachtigde te honoreren. Bij de op 16 april 2009 aan de gemachtigde verzonden kennisgeving is appellant in de gelegenheid gesteld ter zitting van 28 mei 2009 aanwezig te zijn. Daarbij is gewezen op de mogelijkheid getuigen mee te brengen of op te roepen. Appellant heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

4.2. Vervolgens stelt de Raad vast dat tussen partijen in geschil is, of het Uwv bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden geweigerd heeft op het eerdere besluit van 9 maart 1982 tot intrekking van appellants arbeidsongeschiktheidsuitkering per 1 april 1982 terug te komen.

4.3. Bij zijn verzoek van 4 juli 2003 heeft appellant medische gegevens overgelegd die in Marokko zijn afgegeven sinds 1990. Daarnaast heeft hij zich beroepen op een verklaring van de chirurg dr. A. Dargaoui van 16 februari 1983, die tegen appellant zou hebben gezegd dat hij zo snel mogelijk een operatie diende te ondergaan. De overgelegde verklaring vermeldt echter slechts dat deze specialist appellant heeft onderzocht en dat deze lijdt aan een coxa plana en lumbago. Volgens een zich in het procesdossier bevindende brief van de orthopedisch chirurg prof. dr. L.J.L. Koekenberg is appellant op 11 november 1986 in het ziekenhuis opgenomen met een coxa plana arthrotica rechts met pijn en verslechtering van het looppatroon en heeft hij daar op 13 november 1986, derhalve 4,5 jaar na de ter beoordeling staande datum 1 april 1982, een heupoperatie ondergaan. Uit de medische stukken die een rol hebben gespeeld bij de voorbereiding van het besluit van 9 maart 1982, te weten een brief van de orthopedisch chirurg dr. S.A. Cohen van 27 mei 1981 en een onderzoeksverslag van de orthopedisch chirurg A.W. van Steijnen van 21 juli 1981, maakt de Raad op dat appellant toen ongeschikt werd geacht voor zijn werkzaamheden als schoonmaker, maar wel in staat werd geacht tot het verrichten van arbeid die minder heupbelastend was en die afwisselend staand en zittend kon worden verricht. In zijn hierboven onder 1.3 vermelde rapport van 3 september 1985 heeft de door de toenmalige Raad van Beroep als onafhankelijk deskundige geraadpleegde revalidatie-arts dr. C.P. Dubbelman als zijn conclusie gegeven dat het Uwv bij het besluit van 9 maart 1982 van de juiste medische beperkingen is uitgegaan en dat de arbeidsdeskundige bij het selecteren van passende functies met die beperkingen voldoende rekening had gehouden. Voor de - door appellant niet onderbouwde - stelling, dat instanties zich bij de beoordeling van appellants aanspraken hebben laten leiden door racistische motieven, heeft de Raad in de stukken geen enkele aanwijzing gevonden.

4.4. De Raad komt tot het oordeel dat de medische stukken die het Uwv vóór het bestreden besluit ter beschikking zijn gekomen geen nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb bevatten, nu niet is gebleken dat deze stukken wezenlijk andere gegevens ten aanzien van de medische situatie van appellant vermelden dan waarmee het Uwv reeds bekend was. Het Uwv was dan ook bevoegd het onderhavige verzoek met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te verwijzen naar het besluit van 9 maart 1982. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2009.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) W. Altenaar.

NK