Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-06-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
07-6254 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. Geen medische indicatie. De Raad: voor zover al gesteld kan worden dat appellante ten gevolge van ziekte of gebrek beperkingen ondervindt in het normale gebruik van haar woning, kan niet gezegd worden dat die beperkingen een rechtstreeks oorzakelijk verband houden met bouwkundige en woontechnische kenmerken van haar woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6254 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 september 2007, 07/779, (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (hierna: College).

Datum uitspraak: 24 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. van de Wiel, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juni 2009. Voor appellante is mr. Van de Wiel verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is bekend met depressieve klachten, een vaataandoening en locomotore en cardiale aandoeningen. Zij bewoont al 23 jaar een gelijkvloerse flatwoning, gelegen op de achtste etage. In de flat is een lift aanwezig.

1.2. Op 3 april 2006 heeft appellante in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) een aanvraag ingediend voor een woonvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. Zij wenst te verhuizen naar een seniorenwoning of een appartement op de begane grond. Appellante wordt door het uitzicht op de begraafplaats waar haar zoon 17 jaar geleden is begraven, dagelijks aan zijn plotselinge overlijden herinnerd en zij voelt zich op de achtste etage van het flatgebouw sociaal geïsoleerd.

1.3. Overeenkomstig het door de GGD op 11 mei 2006 uitgebrachte advies heeft het College bij besluit van 18 mei 2006 deze aanvraag afgewezen, omdat er geen medische indicatie bestaat voor een verhuizing. Het College ziet evenmin aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule.

1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 18 mei 2006 bezwaar gemaakt. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij ten gevolge van haar hartklachten en artrose beperkt is in het traplopen en het langdurig staan, waardoor zij niet op de lift kan wachten. Voorts ervaart zij depressieve klachten, die verergerd worden doordat zij zich geïsoleerd voelt door de hoge ligging van haar appartement en dagelijks uitzicht heeft op de begraafplaats waar haar zoon begraven is. Zij doet een beroep op de hardheidsclausule, omdat het wonen in haar huidige woning een zeer negatieve invloed heeft op haar lichamelijk en geestelijk welzijn.

1.5. Naar aanleiding van het bezwaar heeft Argonaut Advies BV (hierna: Argonaut) op 13 november 2006 een medisch advies aan het College uitgebracht. In dit advies, dat tot stand is gekomen na een spreekuurbezoek, lichamelijk onderzoek, kennisname van informatie van de behandelend artsen, is geconstateerd dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt, maar dat er geen medische noodzaak is voor een verhuizing.

1.6. Naar aanleiding van de reactie van appellante op het advies van Argonaut en de door haar verstrekte medische informatie heeft het College Argonaut gevraagd om een nader advies. In het nader advies van 29 december 2006 is de Argonaut-arts G. van Bommel tot de conclusie gekomen dat er geen reden bestaat voor wijziging van het eerdere advies.

1.7. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

18 mei 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van objectief aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek bij het normale gebruik van de woning, welke een, op opheffing of beperking daarvan gerichte voorziening in de vorm van een verhuizing langdurig noodzakelijk maakt. Het verlangen om ‘meer onder de mensen’ te willen wonen is geen indicatie in het kader van de Wvg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

23 januari 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de door appellante ondervonden beperkingen ten gevolge van het uitzicht op de begraafplaats en de hoogte geen verband houden met bouwkundige of woontechnische kenmerken, maar uitsluitend met de ligging van haar woning. Voorts behoort het niet tot de ingevolge de Wvg op het College rustende zorgplicht om defecten aan de lift te compenseren.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Namens haar is onder meer aangevoerd dat de bouwkundige of woontechnische kenmerken wel degelijk een rechtstreeks oorzakelijk verband hebben met de door appellante ondervonden beperkingen. Daarbij is gewezen op de locatie van het appartement, te weten vlakbij het kerkhof waar haar zoon begraven ligt en op de grote hoogte waardoor zij zich geïsoleerd voelt. Voorts is aangevoerd dat de lift vanwege vandalisme en technische problemen vaak niet werkt. Ten slotte acht zij haar beroep op de hardheidsclausule ten onrechte afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg wordt onder woonvoorziening verstaan: “elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt indien de voorziening:1. gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen; of

2. een uitraasruimte betreft.”

4.1.2. Artikel 2, eerste lid, van de Wvg bepaalt dat het gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van - onder meer - woonvoorzieningen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Ingevolge artikel 3 van de Wvg moeten deze voorzieningen verantwoord, dat wil zeggen doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht zijn. In artikel 2, eerste lid, van de Wvg is voorts bepaald dat het gemeentebestuur met inachtneming van hetgeen bij en krachtens de Wvg is bepaald, bij verordening regels dient vast te stellen.

4.1.3. Ter uitvoering van artikel 2, eerste lid, van de Wvg heeft de gemeenteraad van de gemeente Eindhoven de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Eindhoven 2003 (hierna: Verordening) vastgesteld.

4.1.4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening bestaan uit een financiële tegemoetkoming of vergoeding in de kosten van verhuizing en inrichting (hierna: verhuiskostenvergoeding).

4.1.5. Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, van de Verordening kan een gehandicapte voor een verhuiskostenvergoeding in aanmerking worden gebracht, wanneer aantoonbare beperkingen door ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning belemmeren.

4.1.6. Ingevolge artikel 8.1 van de Verordening kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen ten gunste van de gehandicapte of de woningeigenaar afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag, gelet op artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg, het vereiste van ergonomische beperkingen niet worden gesteld als het gaat om een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Bij een verhuiskostenvergoeding moet wel sprake zijn van een medische noodzaak voor verhuizing. Dit vereiste komt er op neer dat sprake moet zijn van een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die de gehandicapte bij het normale gebruik van zijn bestaande, te verlaten, woning ondervindt. Het moet dan gaan om naar objectieve medische maatstaf aanwezige beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek die een op opheffing of vermindering daarvan gerichte voorziening langdurig noodzakelijk maken. In zijn uitspraak van 4 februari 2004 (LJN AO3543) heeft de Raad tevens overwogen dat voor het bij een woonvoorziening als de onderhavige gehanteerde criterium van een medische noodzaak als aanvullend vereiste geldt dat van beperkingen in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvg alleen dan sprake is, indien er een rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning, met dien verstande dat die beperkingen in de woning (waaronder ook de toegankelijkheid van die woning moet worden begrepen) zelf moeten worden ondervonden.

4.3. De Raad is van oordeel dat, voor zover al gesteld kan worden dat appellante ten gevolge van ziekte of gebrek beperkingen ondervindt in het normale gebruik van haar woning, niet gezegd kan worden dat die beperkingen een rechtstreeks oorzakelijk verband houden met bouwkundige en woontechnische kenmerken van haar woning. De ligging ten opzichte van het kerkhof betreft geen bouwkundig of woontechnisch kenmerk van de door appellante bewoonde woning en de hoge ligging van het appartement leidt niet rechtstreeks tot een beperking in het normale gebruik van de woning. Uit de medische gedingstukken blijkt dat, voor zover er al sprake is van beperkingen ten aanzien van het normale gebruik van de woning als gevolg van psychische problematiek, deze primair worden veroorzaakt door vereenzaming.

4.4. De stelling van appellante met betrekking tot de liftproblematiek treft evenmin doel. Indien geen sprake is van een deugdelijk werkende lift ligt het op de weg van de verhuurder van de woning van appellante om ervoor zorg te dragen dat de lift wel goed werkt. Appellante kan de verhuurder hierop aanspreken. Van een uitzonderlijke situatie die tot een afwijking van dit uitgangspunt zou moeten leiden is de Raad niet gebleken. Enkel de - niet onderbouwde - stelling van appellante dat de lift regelmatig kapot is en dat reparatie niet altijd dezelfde dag plaatsvindt, is daartoe onvoldoende.

4.5. De Raad is ook overigens niet gebleken van dusdanig bijzondere omstandigheden dat het College met toepassing van de in 4.1.6 weergegeven hardheidsclausule tot toekenning van een verhuiskostenvergoeding had moeten overgaan.

4.6. De Raad ziet, gelet op hetgeen is overwogen in 4.3 geen aanleiding om het verzoek van appellante om een deskundige in te schakelen, te honoreren.

4.6. Op grond van hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) B.E. Giesen.

IA