Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
08/2791 AW + 08/2792 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Het voorwaardelijk strafontslag heeft een zelfstandig rechtsgevolg dat niet opgaat in het ontslag dat per 1 augustus 2006 inging. De Raad acht onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat de straf van voorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. Besluit 2: Ontslag wegens ongeschiktheid en/of onbekwaamheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken. De Raad acht niet aannemelijk dat aan het appellant door het dagelijks bestuur verweten gedrag een ziekte ten grondslag ligt in de vorm van een depressie of andere psychische aandoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2791 AW + 08/2792 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 maart 2008, 07/1884 en 07/1885 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 25 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.A.M. ten Brink, juridisch adviseur, en E.J.M. Plasmeijer, werkzaam bij het stadsdeel Osdorp van de gemeente Amsterdam (hierna: stadsdeel).

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was werkzaam bij het stadsdeel, laatstelijk in de functie van [naam functie].

1.2. Nadat hij zijn voornemen daartoe aan appellant had kenbaar gemaakt en appellant daarop zijn zienswijze had gegeven, heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van 28 juli 2006 met toepassing van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, in samenhang met artikel 1004 van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA) de straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd. Bij besluit van 12 juni 2007 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen dit ontslagbesluit ongegrond verklaard.

1.3. Nadat hij zijn voornemen daartoe aan appellant kenbaar had gemaakt en deze daarop zijn zienswijze had gegeven, heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van (eveneens) 28 juli 2006 met toepassing van artikel 1123, aanhef en onder c, van het ARA ingaande 1 augustus 2006 ontslagen op de grond dat hij zich kennelijk willekeurig onttrekt aan de verplichting zijn betrekking te vervullen. Bij besluit van 12 juni 2007 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur dit ontslagbesluit na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd met dien verstande dat de ontslaggrond is gewijzigd in ongeschiktheid en/of onbekwaamheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking, anders dan uit hoofde van ziekten of gebreken, als bedoeld in artikel 1122, eerste lid, aanhef en onder c, van het ARA.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Bestreden besluit 1.

3.1.1. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat het belang van appellant bij dit beroep is vervallen, omdat het voorwaardelijk strafontslag geen effect meer kan hebben nu het ontslag per 1 augustus 2006 in stand blijft. De Raad volgt de rechtbank hierin niet. Het voorwaardelijk strafontslag heeft immers een zelfstandig rechtsgevolg dat niet opgaat in het ontslag dat per 1 augustus 2006 inging. Met het in stand blijven van dit laatste ontslag verliest het voorwaardelijk strafontslag ook niet elke betekenis aangezien het voorwaardelijk strafontslag voor appellant een zeker diffamerend karakter heeft.

3.1.2. Uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting zal de Raad met kennelijke instemming van partijen de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar deze nu zelf inhoudelijk beoordelen.

3.1.3. Het voorwaardelijke strafontslag is blijkens het bestreden besluit gebaseerd op het handelen van appellant dat heeft geleid tot een ontzegging van de rijbevoegdheid gedurende 10 maanden. Uit het verslag van het verantwoordingsgesprek van 9 mei 2006 blijkt dat met dit handelen wordt gedoeld op overmatig alcoholgebruik in het verkeer. Het dagelijks bestuur neemt het standpunt in dat handelingen van appellant die tot gevolg hebben dat hij niet meer aan een functievereiste voldoet (in dit geval: het bezitten van een rijbewijs) kunnen worden aangemerkt als plichtsverzuim. Het dagelijks bestuur heeft geen aanwijzigen gevonden dat appellant zijn wil ten aanzien van het gebruik van alcohol niet in vrijheid kon bepalen. Gewezen is verder op het feit dat appellant ook eerder plichts-verzuim heeft gepleegd, met name door zonder deugdelijke reden niet op het werk te verschijnen, en dat hij op zijn tekortkomingen is gewezen zonder dat dit tot verbetering heeft geleid. Hierin ziet het dagelijks bestuur een strafverzwarende omstandigheid.

3.1.4. De Raad is van oordeel dat appellant plichtsverzuim heeft gepleegd in de door het dagelijks bestuur aangegeven zin. Daarbij is in aanmerking genomen dat dit verzuim een relatie heeft met de functie van appellant, die meebrengt dat hij een motorvoertuig moet (kunnen) besturen. Gelet op hetgeen het dagelijks bestuur hierover verder heeft aange-voerd, acht de Raad onvoldoende grond aanwezig voor het oordeel dat de straf van voorwaardelijk ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim.

3.1.5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak op het hier besproken onderdeel dient te worden vernietigd. De Raad zal voorts, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep in eerste aanleg in zoverre ongegrond verklaren.

3.2. Bestreden besluit 2.

3.2.1. Aan het ontslag per 1 augustus 2006 heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat zich bij appellant gedurende een aantal jaren een patroon aftekende van ten onrechte niet op het werk verschijnen. Daarbij is erop gewezen dat appellant bij besluit van 22 maart 2005 met toepassing van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder a, van het ARA schriftelijk is berispt wegens het zich geregeld verslapen en daardoor te laat op het werk komen en wegens ander werkverzuim. Ook in de periode daarna is appellant zeer geregeld niet of te laat op zijn werk verschenen, omdat hij zich verslapen had of om een andere ondeugdelijke reden. Ten slotte heeft appellant zich op 17 juli 2006 ziek gemeld. Nadat de bedrijfsarts hem op 17 en 18 juli 2006 arbeidsgeschikt had geacht, heeft appellant geweigerd zijn werk te hervatten omdat hij eerst zijn huisarts wilde raadplegen. Nadat deze raadpleging op 19 juli 2006 had plaatsgevonden en de broer van appellant daarvan verslag had uitgebracht aan de bedrijfsarts heeft deze laatste appellant opnieuw voor zijn werk geschikt geoordeeld. Appellant heeft echter ook bij die gelegenheid geweigerd zijn werk te hervatten. Dit heeft het dagelijks bestuur gebracht tot zijn besluit appellant te ontslaan.

3.2.2. Appellant heeft niet betwist dat zijn houding en gedrag zijn geweest zoals door het dagelijks bestuur is aangevoerd en hierboven is weergegeven. Hij heeft evenwel gesteld dat zijn disfunctioneren het gevolg is van ziekte. In dit verband heeft hij verklaringen overgelegd van de psychiater L bij wie hij vanaf oktober 2006 in behandeling is. De commissie voor bezwaar- en beroepschriften Osdorp die over het bezwaar van appellant advies aan het dagelijks bestuur heeft uitgebracht, heeft dit aanleiding gegeven de bedrijfsarts om commentaar te vragen. De bedrijfsarts heeft hierop bij brief van 1 november 2006 aan de commissie bericht dat hij telefonisch contact heeft gehad met de psychiater L en dat deze meedeelde niets te hebben toe te voegen aan zijn schriftelijke verklaringen. De bedrijfsarts liet verder weten dat hij ermee bekend was dat appellant psychische klachten had. Deze klachten maken echter niet dat het voormelde gedrag van appellant hem niet is te verwijten, aldus de bedrijfsarts.

3.2.3. Mede gezien dit commentaar van de bedrijfsarts acht de Raad niet aannemelijk dat aan het appellant door het dagelijks bestuur verweten gedrag een ziekte ten grondslag ligt in de vorm van een depressie of andere psychische aandoening. De behandelend psychiater L gaf ook niet aan dat de psychische toestand van appellant (mede) oorzaak was van juist de gedragingen waarom het hier gaat. De verklaringen van L zijn verder uiterst summier en geven geen nadere bijzonderheden. Niet zonder belang is dat de behandelend psycholoog C in een verklaring van 22 december 2006 opmerkt dat de depressieve klachten van appellant zijn ontwikkeld naar aanleiding van een arbeidsconflict. Bovendien komt uit de stukken naar voren dat de sociale en financiële omstandigheden waarin appellant indertijd verkeerde een rol hebben gespeeld bij zijn gedrag.

3.2.4. Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het dagelijks bestuur zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet geschikt is voor de vervulling van zijn betrekking om andere redenen dan ziekten of gebreken. Door zijn houding en gedrag heeft appellant laten zien dat hij de eigenschappen, mentaliteit en instelling mist die nodig zijn voor een goede uitoefening van zijn functie. Appellant is meerdere malen op het verkeerde van zijn gedrag gewezen maar heeft de hem aldus gegeven gelegenheid zich te verbeteren niet aangegrepen. Het dagelijks bestuur was dan ook bevoegd om hem op de in bestreden besluit 2 vermelde grond te ontslaan.

3.2.5. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak op dit onderdeel voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 216,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2009.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD