Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
08-2293 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. De Raad: bij de vaststelling van het vermogen heeft het College terecht geen rekening heeft gehouden met de door haar gestelde schuld aan een kennis van € 5.000,--. De Raad is echter anders dan het College van oordeel dat niet eerder dan 25 april 2005, de datum waarop appellante feitelijk over haar aandeel in de nalatenschap van haar moeder kon beschikken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2293 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 13 maart 2008, 07/1618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Stein (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. Osmic, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Osmic. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer B. Knol, werkzaam bij de gemeente Stein.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellante ontving sinds 1 maart 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Op 5 oktober 2003 is de moeder van appellante overleden en op 25 april 2005 ontving appellante uit de nalatenschap van haar moeder een bedrag van € 41.868,10.

1.4. Het College heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 20 september 2005 de bijstand van appellante per 5 oktober 2003 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 5 oktober 2003 tot en met 31 maart 2005 tot een bedrag van € 20.084,18 van appellante terug te vorderen op de grond van artikel 54 (lees: 58), eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB. Het College heeft daarbij overwogen dat appellante op 5 oktober 2003 kon beschikken over een vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 april 2006 ongegrond verklaard.

1.5. Bij uitspraak van 29 januari 2007 heeft de rechtbank - voor zover van belang - het beroep tegen het besluit van 25 april 2006 gegrond verklaard voor zover daarin het bezwaar van appellante tegen de intrekking van de bijstand per 5 oktober 2003 ongegrond is verklaard en het College opdracht gegeven een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen.

1.6. Ter uitvoering van de uitspraak van 29 januari 2007 heeft het College bij besluit van 14 augustus 2007 - voor zover van belang - het besluit van 25 april 2006 in die zin herzien dat de bijstand van appellante wordt ingetrokken per 1 april 2005. Het College heeft voorts het bezwaar voor zover gericht tegen de terugvordering van de bijstand over de periode van 5 oktober 2003 tot en met 31 maart 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - samengevat en voor zover van belang - het beroep van appellante gegrond verklaard en het besluit van 14 augustus 2007 vernietigd. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat, nu appellante geen beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 29 januari 2007 heeft ingesteld, het College het bezwaar van appellante voor zover gericht tegen de terugvordering van de bijstand niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank heeft vervolgens - zelf voorziend - alsnog in die zin beslist. Tevens heeft zij het besluit voor zover betrekking hebbende op de intrekking van de bijstand per 1 april 2005 vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maar de rechtsgevolgen van dit gedeelte van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd stelt de Raad allereerst vast dat ter beoordeling slechts voorligt de intrekking van de bijstand van appellante per 1 april 2005. In verband hiermede stelt de Raad voorts vast dat in dit geval - volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 juli 2006, LJN AY5142) - ter beoordeling staat de periode van 1 april 2005 tot 20 september 2005.

4.2. Niet in geschil is dat appellante op 25 april 2005 de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 41.868,10 uit de nalatenschap van haar moeder. De grieven van appellante richten zich tegen het door de rechtbank gevolgde standpunt van het College dat ten tijde in geding sprake zou zijn van een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens. Appellante betwist de berekening van het vermogen zoals door het College nader is toegelicht in zijn bij de rechtbank ingediende verweerschrift en voert voorts aan dat bij deze berekening geen rekening is gehouden met een schuld aan een kennis van haar van € 5.000,--.

4.3. De Raad is allereerst van oordeel dat het College bij de vaststelling van het vermogen van appellante terecht geen rekening heeft gehouden met de door haar gestelde schuld aan een kennis van € 5.000,--. Volgens vaste jurisprudentie kunnen uitsluitend die schulden in aanmerking worden genomen waarvan het feitelijk bestaan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens is komen vast te staan dat aan die schuld ook daadwerkelijk een (terug)betalingsverplichting is verbonden. Met het enkel overleggen van een bankafschrift waaruit blijkt dat er twee bedragen met een totaal van € 5.000,-- zijn afgeschreven van haar bankrekening heeft appellante naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een schuld in vorenbedoelde zin. Nu de Raad ook anderszins niet is gebleken dat het College van een onjuiste berekening van het vermogen van appellante is uitgegaan, deelt de Raad het standpunt van het College dat appellante kon beschikken over een vermogen boven de voor haar geldende vermogensgrens.

4.4. De Raad is echter anders dan het College van oordeel dat niet eerder dan 25 april 2005, de datum waarop appellante feitelijk over haar aandeel in de nalatenschap van haar moeder kon beschikken, sprake was van deze vermogensoverschrijding zodat het College op die grond niet eerder dan met ingang van 25 april 2005 de bevoegdheid toekwam om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand. Hierbij gaat de Raad ervan uit - en acht de Raad aannemelijk - dat er tussen 1 en 25 april zich geen (verdere) relevante wijziging in het vermogen van appellante heeft voorgedaan.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 14 augustus 2007 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand per 1 april 2005. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de ingangsdatum van intrekking van de bijstand te bepalen op 25 april 2005. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

4.6. De Raad stelt tot slot vast dat hij niet toekomt aan de beoordeling van de grieven van appellante omtrent de (te) lange periode waarover appellante geen bijstand heeft ontvangen, aangezien die grieven de reikwijdte van het hiervoor beoordeelde geschil te buiten gaan. Deze richten zich immers in wezen tegen het besluit van 17 oktober 2006, waarbij appellante met ingang van 3 mei 2006, zijnde de datum waarop appellante zich heeft gemeld bij het CWI en met ingang waarvan bijstand is toegekend, en hadden naar het oordeel van de Raad in het kader van een bezwaar tegen dat besluit naar voren gebracht dienen te worden.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en op € 39,25 voor reiskosten, in totaal derhalve € 683,25.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 14 augustus 2007 gegrond voor zover dit ziet op de intrekking van bijstand per 1 april 2005 en vernietigt dit besluit in zoverre;

Bepaalt de datum van de intrekking van de bijstand op 25 april 2005;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 683,25, te betalen door de gemeente Stein aan de griffier van deze Raad;

Bepaalt dat de gemeente Stein aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en P. Ingelse als leden, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2009.

(get.) C. van Viegen.

(get.) B.E. Giesen.

NW