Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2297

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2009
Datum publicatie
13-07-2009
Zaaknummer
07/4242 AW + 08/3426 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zonder toestemming meenemen van computer. Wel sprake van plichtsverzuim, maar de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is gezien de bijzondere omstandigheden van het geval onevenredig te achten aan de aard en omvang van het hierboven omschreven plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4242 en 08/3426 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drechterland (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 8 juni 2006 (lees: 2007), 07/902 en 07/903 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 12 maart 2009

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Op 27 mei 2008 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. Burger, advocaat te ’s-Gravenhage, en drs. E.L.C.M. Mol, gemeentesecretaris van de gemeente Drechterland. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M. van Haandel, werkzaam bij ABVAKABO FNV.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds 31 mei 1982 werkzaam bij de gemeente Drechterland, laatstelijk als beleidsmedewerker bij de afdeling Informatisering en Automatisering (I&A). Na signalen dat betrokkene en een collega ieder een computer van de gemeente mee naar huis hadden genomen is door appellant een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek is door Deloitte Bijzonder Onderzoek & Integriteitsadvies B.V. (hierna: Deloitte) een rapport uitgebracht met betrekking tot onder meer het gebruik van de bij betrokkene aangetroffen computer. Naar aanleiding van de resultaten van voormeld onderzoek heeft appellant aan betrokkene bij besluit van 26 oktober 2006 wegens zeer ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Het aan betrokkene verweten plichtsverzuim bestaat uit het zonder toestemming mee naar huis nemen en toe-eigenen van een computer van de gemeente, kennelijk met een andere bedoeling dan het gebruik voor zijn werk en het op diverse momenten nalaten te vertellen dat hij een computer van de gemeente in zijn bezit had. Dit besluit is, na namens betrokkene gemaakt bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 29 maart 2007.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) - voor zover hier van belang - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant binnen zes weken na de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt. Tevens zijn bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat vast staat dat betrokkene begin 2006 zonder toestemming een aan de gemeente toebehorende computer mee naar huis heeft genomen. De rechtbank is met appellant van oordeel dat betrokkene zich aldus schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. De rechtbank is voorts van oordeel dat in redelijkheid niet kan worden gesteld dat er voor betrokkene aanleiding was om op de daartoe volgens appellant geëigende momenten te melden dat hij in eigen tijd onbetaald werk verrichtte ten behoeve van de gemeente met gebruik van een gemeentelijk eigendom. De rechtbank is verder van oordeel dat de omstandigheid dat betrokkene zijn kinderen thuis van de computer gebruik heeft laten maken als plichtsverzuim is aan te merken. Nu echter niet aannemelijk is geworden dat bij betrokkene de intentie bestond om zich de computer (op enig moment) wederrechtelijk toe te eigenen met het oogmerk om deze te behouden, acht de rechtbank het plichtsverzuim niet zodanig ernstig dat dit de straf van ongevraagd oneervol ontslag rechtvaardigt.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Vast staat dat betrokkene begin 2006 een computer van de gemeente mee naar huis heeft genomen. Vast staat ook dat betrokkene daarvoor geen toestemming heeft gevraagd. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat hij op grond van gegroeide praktijk ervan uit mocht gaan dat hij bevoegd was te beslissen over de uitleen van apparatuur en dus ook over de uitleen van een computer aan zichzelf. Tussen partijen is niet in geschil dat betrokkene met een grote mate van zelfstandigheid functioneerde. De dagelijkse aansturing van ICT-werkzaamheden bij de gemeente werd door betrokkene verricht. Betrokkene was onder meer belast met de plaatsing van computers binnen de organisatie en met het beheer van de gemeentelijke laptop en beamer. Dit alles neemt echter niet weg dat betrokkene voor het mee naar huis nemen van de computer formeel bezien toestemming had moeten vragen aan zijn toenmalige leidinggevende. Door dit na te laten heeft betrokkene naar het oordeel van de Raad in strijd gehandeld met de gedragscode van de gemeente Drechterland en artikel 15:1:3 van de CAR/UWO en zich aldus schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

3.2. Partijen verschillen van mening over de intenties van betrokkene. Appellant heeft aangevoerd dat er geen noodzaak was om thuis werkzaamheden te verrichten. Betrokkene daarentegen heeft gesteld dat hij thuis over een eigen computer beschikt en de computer van de gemeente heeft gebruikt om op het werk door de samenvoeging van de gemeenten Drechterland en Venhuizen en door een vacature opgelopen achterstanden thuis weg te werken. In het verleden heeft zich, zo heeft betrokkene onweersproken verklaard, een situatie als deze eerder voorgedaan. De Raad stelt vast dat de voormalig leidinggevende van betrokkene tijdens de zitting van de rechtbank heeft aangegeven dat begin 2006 vanwege de hiervoor genoemde samenvoeging sprake was van een hoge werkdruk op de afdeling van betrokkene. De Raad stelt voorts vast dat het onder rechtsoverweging 1.1 genoemde onderzoek van Deloitte niet uitsluit dat de bij betrokkene aangetroffen computer is gebruikt voor werkzaamheden ten behoeve van de gemeente. Tot slot is van belang dat betrokkene het meenemen van de computer openlijk heeft besproken met twee andere medewerkers van I&A en dat hij, toen hij werd geconfronteerd met het feit dat twee computers niet meer op het gemeentehuis aanwezig waren, meteen heeft aangegeven dat één daarvan bij hem thuis stond. Op grond hiervan is de Raad met de rechtbank van oordeel dat geenszins is komen vast te staan dat betrokkene de bedoeling had zich de computer toe te eigenen.

3.3. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het nalaten van betrokkene te melden dat hij een computer van de gemeente in zijn bezit had, plichtsverzuim oplevert. Naar het oordeel van de Raad zou het in het bijzonder voor de hand hebben gelegen dat betrokkene tijdens het werkoverleg van 15 maart 2006, gelet op de daarbij gemaakte afspraken over thuiswerken, openheid van zaken zou hebben gegeven. Dit plichtsverzuim acht de Raad echter niet ernstig.

3.4. Concluderend is de Raad van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag gezien de bijzondere omstandigheden van het geval onevenredig is te achten aan de aard en omvang van het hierboven omschreven plichtsverzuim. Het hoger beroep slaagt derhalve niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Nu appellant met het nieuwe besluit van 27 mei 2008, waarbij aan betrokkene per 26 oktober 2006 ontslag is verleend op andere gronden, volledig is tegemoet gekomen aan de bezwaren van betrokkene, behoeft dat besluit geen bespreking meer.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Drechterland;

Bepaalt dat van de gemeente Drechterland een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.L.P.G. van Thiel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2009.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) K. Moaddine.

HD