Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2154

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2009
Datum publicatie
14-07-2009
Zaaknummer
07/6094 WWB + 07/6095 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Niet duurzaam gescheiden leven. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, in samenhang bezien, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat betrokkenen ten tijde in geding niet duurzaam gescheiden leefden in vorenbedoelde zin. Afwijzing van de aanvraag: Geen sprake van een relevante wijziging in de omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6094 WWB

07/6095 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 september 2007, 06/1381 en 07/200 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 juni 2009

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2009. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.P.H. Hageman, werkzaam bij de gemeente Hengelo.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Nadat appellante had meegedeeld van echt te gaan scheiden van [C.] is met ingang van 11 november 2005 aan appellante bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand is door de afdeling Intake en Handhaving van de gemeente Hengelo op 23 mei 2006 een huisbezoek afgelegd en is [C.] gehoord.

1.3. Op grond van de resultaten van dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 1 juni 2006, heeft het College bij besluit van 15 juni 2006 de bijstand van appellante met ingang van 23 mei 2006 beëindigd (lees: ingetrokken).

1.4. Bij besluit van 17 oktober 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 juni 2006 ongegrond verklaard op de grond dat appellante en [C.] niet duurzaam gescheiden leven, waarvan ten onrechte aan het College geen melding is gemaakt.

2. Op 10 augustus 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de WWB.

2.1. Bij besluit van 14 september 2006 heeft het College de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat niet is gebleken van een gewijzigde situatie.

2.2. Bij besluit van 16 januari 2007 heeft het College het tegen het besluit van 14 september 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 17 oktober 2006 en 16 januari 2007 ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6. De intrekking van de bijstand

6.1. De intrekking van de bijstand per 23 mei 2006 is niet tot een bepaalde periode beperkt. De beoordeling van de bestuursrechter bestrijkt dan de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld moet worden de periode van 23 mei 2006 tot en met 15 juni 2006

6.2. Vaststaat dat appellante en [C.] ten tijde in geding met elkaar gehuwd waren.

6.3. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

6.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen, in samenhang bezien, een toereikende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante en [C.] ten tijde in geding niet duurzaam gescheiden leefden in vorenbedoelde zin.

6.5. De Raad acht daarbij met name van belang dat [C.] op 23 mei 2006 heeft verklaard dat hij in de periode in geding van 's ochtends vroeg tot 's avonds 22.00 of 23.00 uur in de woning van appellante verbleef om zijn kind naar school te brengen en ook weer van school op te halen en dat hij daar ook de maaltijd gebruikte. Voorts heeft appellante naar aanleiding van de aanvraag onafhankelijk van [C.] op 13 september 2006 verklaard dat hij (nog steeds) hun kind dagelijks naar school brengt en van school haalt en dat hij ook in het weekend komt. Ook [C.] heeft op die dag verklaard dat er (nog steeds) dagelijks contact is. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gezien de frequentie en de duur van de bezoeken van [C.] aan appellante niet gesproken kan worden van duurzaam gescheiden leven in bovengenoemde zin.

6.6. Het voorgaande betekent dat appellante en [C.] in de periode in geding als een gezin als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder c, ten tweede, van de WWB moeten worden beschouwd en dat appellante derhalve niet langer als zelfstandig subject van bijstand recht had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Ook staat vast dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting het College niet heeft gemeld dat niet langer sprake was van duurzaam gescheiden leven.

6.7. Op grond van het vorenstaande was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante vanaf 23 mei 2006 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van die bevoegdheid.

7. De afwijzing van de aanvraag

7.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad ligt het, indien een lopende bijstandsuitkering is beëindigd of ingetrokken, in geval van een nieuwe aanvraag, gericht op het verkrijgen van een periodieke bijstandsuitkering met ingang van een later gelegen datum, op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een relevante wijziging in de omstandigheden, in die zin dat hij nu wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

7.2. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat appellante niet heeft aangetoond dat haar omstandigheden ten tijde van belang - dat is de periode gelegen tussen de aanvraagdatum, te weten 10 augustus 2006 en de datum waarop het primaire besluit is genomen, te weten 14 september 2006 - in de zoëven bedoelde zin zijn gewijzigd. De Raad wijst naar genoemde verklaringen, afgelegd op 13 september 2006 waaruit volgt dat [C.] ook ten tijde van belang dagelijks langdurig in de woning van appellante aanwezig was.

7.3. Gelet op het vorenoverwogene heeft het College de onderhavige aanvraag van appellante terecht afgewezen.

7.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

8. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2009.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A. Badermann.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

NW